TERUG

  1. Diensttijd
  2. Oorlog
  3. Eerste uren
  4. Krijgsgevangen
  5. Op en om het vliegveld
  6. In de kerk
  7. Het veldlazaret
  8. Jan
  9. Het krijgsgevangenkamp
  10. Terug in de kazerne
  11. Na de oorlog

Als krijgsgevangene in en om Valkenburg.

Oorlogsherinnering van Berend Borst.

BRON:   OSV-4R.I.

Hoofdstuk 8

 

Jan

Bij de burgers in de boerderij van van Leeuwen was ook een jongen die ik nog niet genoemd heb maar waar ik nu een bijzonder gedeelte aan wil weiden. Ik kende hem niet anders dan als Jan. Hij was een boerenjongen uit Valkenburg. Hij was ongeveer 16 jaar.
Wat die jongen tijdens de oorlog gedaan heeft is ongelooflijk. Hij ging dikwijls op een fiets van de boerderij naar Valkenburg. Om in het dorp te komen moest hij door de hevigste vuurlinies. Op dat hij niet voor een soldaat werd aangezien zou worden droeg hij een witte doek om de hals. In het dorp bezocht hij de burgers die overal bijeen geschoold waren. Hij nam verschillende dingen uit de winkels mee naar het lazaret waar wij en de Duitsers het een en ander wel konden gebruiken. Hij bracht o.a.. ook ansicht kaarten mee. Ik heb er een van hem gekregen welke ik 's woensdags heb geschreven om thuis te berichten dat ik het goed maakte ondanks de omstandigheden. Thuis zouden mijn huisgenoten wel ongeduldig op bericht van mij wachten. Omdat niemand de boerderij kon verlaten heb ik de kaart donderdagochtend aan een jongen meegegeven die in de omtrek van de boerderij kwam melken. In Katwijk zou hij de kaart voor mij posten. Dat verzenden van die kaart gaf mij verlichting, nu zouden zij thuis weten hoe het met mij was. Ikzelf zou dolgraag weten hoe het in Zwolle was. Ik had er geen idee van hoe het thuis was.

J. Varkevisser

Jan had in het dorp de vrouw van van Leeuwen gesproken en bracht nu haar groeten over aan de boer. De boerin en haar kinderen waren ongedeerd. Dat stelde de boer gerust want hij had sinds vrijdag niets meer van hen gehoord.
Omdat Jan herhaaldelijk weer naar het dorp ging was hij erg gezien bij de Duitsers. Zij noemden hem allemaal bij zijn voornaam. De burgers en krijgsgevangenen waren ook steeds benieuwd naar Jans terugkomst want van hem hoorden wij het enige nieuws uit Valkenburg. Wij merkten wel dat hij overal in het dorp rondneusde want hij wist overal wat van te vertellen. We vernamen dat Valkenburg erg door het granatenbombardement leed wat ons geen van allen verwonderde. Hij wist verschillende namen op te noemen van Valkenburgers die gedood of gewond waren. De moeder van de dode , een der burgers in het hospitaal was ook door het granatenbombardement gedood. Later kwam Jan met het bericht dat de Roode zijn zuster ook het slachtoffer was geworden. Dinsdagmiddag na de capitulatie is de Roode direct naar het dorp gegaan en heeft de begrafenis bijgewoond.

Wij hebben dikwijls gewaarschuwd en hem er op gewezen dat die tochten naar Valkenburg levensgevaarlijk waren maar daar trok hij zich weinig van aan, hij zag het gevaar niet. Het was ons steeds weer een wonder als hij ongedeerd terug kwam. Jan meende zelf dat hij "kogelvrij" was.
Dinsdagmorgen kwam hij met een bakfiets aanzetten. Daarin had hij van alles gestopt, je kon niet zo raar denken of hij had het in die driewieler. Hij vond het zelf prachtig dat hij zoveel mee kon nemen naar de boerderij, daarom ging hij direct weer terug naar het dorp. Dat deed hij 2 keer achter elkaar. De Laatste keer dat hij terug kwam liet hij ons de bak van de fiets zien. Er zaten gaten in, het waren kogelgaten die er onderweg ingeschoten waren. Wij zeiden hem nogmaals nadrukkelijk dat het zo gevaarlijk was om zich onbeschermd buiten te geven. Hij vond het zelf ook wel gewaagd daarom ging hij niet weer direct terug.

Wij haalden de inhoud uit de bakfiets en brachten het naar binnen. Het meeste ging naar de keuken of de dokter, ook werd er wat onder de gewonden verdeeld en wijzelf zorgden ervoor dat we ons deel kregen.
Een van de Duitse soldaten die niet zo erg gewond was vond dat Jan een Rode-Kruisband moest dragen. Dat vond Jan een prachtig idee maar hoe moest hij aan zo'n band komen? Daar wisten de Duitsers wel raad op. Wij lieten Jan een lap rood en wit linnen halen. Ook de naaimachine van de boerin moest van zolder gehaald worden. Toen de Duitser alles had naaide hij een witte band met een rood kruis erop. Dat was spoedig gereed en Jan deed zijn nieuwe band direct om. Opgewekt kwam hij naar ons toe en zei "nu kan me niets meer overkomen, nu ben ik veilig met deze band om mijn arm". Daarna ging hij de naaimachine weer naar boven brengen. 

Hij liep de gang in om bij de voordeur van de boerderij de trap op te gaan. Maar hij was nog maar een paar trede de trap op toen hij met veel lawaai met naaimachine en al naar beneden rolde. "Ik ben geraakt, ik ben gewond!" schreeuwde hij. Ontsteld snelde wij te hulp. Hij lag doodsbleek onder aan de trap en kreunde erg. Wij tilden hem op en droegen hem naar een zijkamertje. De dokter ontdeed hem van zijn bovenkleren. Tussen zijn hals en schouder was een gaatje, achter in de nek was ook zo'n gaatje te zien. Een kogel had hem dwars door de hals getroffen. Dat was wel heel erg sterk. Vele malen was hij door de hevigste vuurlinies gefietst terwijl de kogels in de bakfiets vlogen zonder ook maar zelf het minste letsel op te lopen. En hier binnenshuis met zijn nieuwe Rode-Kruisband om, die hem wel beveiligen zou zoals hij zojuist gezegd had, werd hij door een verdwaalde kogel getroffen. Het was een wonderlijk toeval

Daar lag Jan nu. Zijn oogleden trilden, herhaaldelijk klaagde hij "Ik heb zo'n pijn... ik heb zo'n pijn!" Wij probeerden hem wat moed in te spreken maar het hielp weinig. Telkens lieten we hem wat water tussen zijn lippen lopen. Wij hadden het erg met hem te doen. Aan beide beide kanten van hem lagen 2 Duitsers, ook zij hadden medelijden met de jongen hoewel zij zelf ook gewond waren. Wij gaven hun ook wat water. Een andere Duitser die in een andere hoek lag vroeg ook steeds om water maar als hij wat kreeg spuwde hij het direct weer uit, hij kon niet slikken, was lijkbleek en zijn ogen stonden dof. Hij was er erg slecht aan toe. Spoedig blies hij zijn laatste adem uit. Wij legden een deken over de dode. Dikwijls kwamen wij bij Jan, maar konden weinig voor hem doen, het zag er hopeloos voor hem uit. De dokter kwam ook vaak kijken maar zag het donker in. De gewonde Duitsers op de deel vroegen geregeld hoe het met Jan was. Na de capitulatie kwam Jan zijn vader, die gewaarschuwd was , naar zijn zoon kijken. 's Avonds werd Jan direct met de zwaargewonden naar Leiden overgebracht. Later vernam ik dat Jan aan de gevolgen is overleden.

<< 7e Hoofdstuk  |  9e Hoofdstuk >>