Algemene Mobilisatie

Augustus 1939.

Zo moest ons leger, toen duidelijk ging worden dat een oorlog onvermijdelijk werd en een algemene mobilisatie door de regering bevolen werd, de wacht betrekken om een dreiging uit het oosten te keren. Nog niet eens zó slecht bewapend, van hoog tot laag slecht geoefend en vooral ook - mentaal onvoorbereid op wat oorlog betekende.

 

Mobilisatie Haarlemmerliede-Spaarnewoude.

De sedert Pasen gemobiliseerde militairen, waarvan vele van oudere - uit 1924 - lichtingen waren, konden behalve periodieke bewegingsvrijheid ook z.g. "klein-verlof" krijgen, dat speciaal in de mobilisatietijd in ruime mate kon worden verleend. Een en ander betekende dat er nogal wat mannen aan de organieke sterkte ontbraken. Het is dan ook begrijpelijk, dat de regering, toen de moeilijkheden van Duitsland met Polen en Danzig scherpere vormen aannamen, op 22 augustus alle klein-verloven introk, zodat de strategische beveiliging aan de grenzen weer op haar volle sterkte was. Dat was nodig, want de volgende dag ging Telegram A uit, het waarschuwingstelegram voor de Algemene Mobilisatie.

Het waarschuwingstelegram A van 23 augustus werd al op de 24e gevolgd door telegram B, waarin de voormobilisatie op 25 augustus werd gelast. Dit betekende, dat op laatstgenoemde dag van elke oorlogseenheid in het mobilisatiecentrum een kern van van personeel onder de wapens kwam zoals commandanten der oorlogsonderdelen, kwartiermakers, menagemeesters, kokspersoneel, hoefsmeden, rijwielherstellers enz.
Die kernen, 50.000 man, moesten de algemene mobilisatie van het betreffende onderdeel voorbereiden. Dit alles was voor elk onderdeel in een zeer gedetailleerde instructie vastgelegd.

Op 24 augustus werd het Duits-Russisch pact gesloten hetgeen inhield dat Hitler zijn handen vrij had om met Polen af te rekenen. Frankrijk en Engeland hadden met Polen een verdrag van wederzijdse militaire bijstand afgesloten; daardoor leek een nieuwe Europese oorlog onvermijdelijk.
Vanwege deze dreiging kwam de ministerraad bijeen. De Geer voelde bijzonder weinig voor het nemen van krachtige maatregelen, maar Dijxhoorn (Defensie) en van Kleffens (BuZa) dachten daar anders over. Kon. Wilhelmina had weinig op met de besluiteloosheid van de Geer. Na zwaar onder druk te zijn gezet stemde de Geer in met een Algemene mobilisatie op de 28e. [1]

Op de 26e mobiliseerde België, 600.000 man, haar strijdkrachten.

Tijdens een radiotoespraak die de koningin op deze dag hield, zei zij ondermeer: [1]

  • Neutraliteitshandhaving eischt de mogelijkheid, aan onze wil tot eenzijdigheid de vereischte kracht te kunnen bijzetten.

Aan de koningin werd op 26 augustus door de Duitse gezant, anti nazi, graaf Zech von Burkersroda, in het bijzijn van Van Kleffens, een geruststellende verklaring voorgelezen waarin Hitler plechtig liet verklaren dat hij de Nederlandse neutraliteit zou eerbiedigen.

Telegram C dat op 28 augustus om één uur 's middags uitging, luidde:  Algemene Mobilisatie Eerste mobilisatiedag 29 augustus 1939". De algemene mobilisatie bracht de gehele krijgsmacht op voet van oorlog. Alle dienstplichtigen, 16 lichtingen van de lichtingen 1924 tot en met 1938 werden opgeroepen, de lichting 1939 was al onder de wapenen. De landmacht bereikte daardoor een sterkte van ongeveer 100.000 man naar 280.000 man.
De chef van de generale staf, Lt. gen. I.H. Reijnders werd benoemd tot Opperbevelhebber van de Land en Zeemacht, (O.L.Z.) en daarmee tot generaal bevorderd.

*

Het ALGEMEEN HANDELSBLAD meldde in zijn avondeditie van 28 augustus;

  • Eerste Opkomst: Dinsdag 29 Augustus.
    's Gravenhage, 28 Aug.

    De regeringspersdienst meldt;
    "Ten einde ten volle voorbereid te zijn op den plicht, welke op Nederland zou rusten om, in geval dat, tegen alle nog bestaande hoop in, een gewapend conflict in het buitenland mocht uitbreken, onze onzijdigheid naar alle zijden met alle ter beschikking staande middelen te handhaven, heeft de Regeering gemeend niet langer te mogen wachten met het nemen van den uitersten voorzorgsmaatregel en is daarom thans het bevel gegeven tot mobilisatie van leger en vloot."

*

Zo begon op 29 augustus een volksverhuizing van meer dan 150.000 dienstplichtigen. Dat een en ander niet over een leien dakje ging mag duidelijk zijn. Het onder de wapenen komende personeel moest worden geregistreerd, gekeurd, ingedeeld, gelegerd, gevoed en van wapens, kleding en uitrustingstukken worden voorzien. Gevorderd diende te worden paarden, auto's, fietsen en legeringsgebouwen, meestal scholen en bollenschuren. 

Het aantal beschikbare stafkaarten bleek veel te klein en niet onbelangrijk - deze stamde meestal uit de jaren '20. Ook was er een tekort aan veldkijkers, maar die konden in een aantal gevallen nog inderhaast met tal van andere kleinigheden, behorende tot de uitrusting van de eenheid, in winkels worden gekocht. Alle gevorderde auto's moesten grijs-groen worden geverfd en van nieuwe nummerplaten voorzien. De inrichting van 32 hospitaalschepen en 15 treinen voor gewondenvervoer was ook voltooid.

Boven: November, Schuttersveld te Leiden, het onder de wapenen komende personeel bij het 10e Depot Bataljon moest worden geregistreerd en werd gelijk over de compagnieën verdeeld. [20]

Van geheimhouding kwam niets terecht, voornamelijk door de typische Nederlandse gemoedelijkheid en het onvermogen zich in echte oorlogsomstandigheden in te leven.
De veldpost functioneerde aanvankelijk moeizaam en dat gaf de opgekomenen een gevoel van isolatie. 

De reserve officieren en onderofficieren hebben zich er buitengewoon goed doorheen geslagen en bij het gros der onderdelen was de mobilisatie in de voorgeschreven twee dagen voltooid. En tenslotte bleek op welke waardige wijze ons volk deze belangrijke dagen heeft getoond zijn zenuwen in bedwang te hebben ondanks de gezinsontwrichtende gevolgen van de mobilisatie.

De realiteit was dat het gevaar uit het oosten zou komen. Zo moest de legerleiding, die terecht uitging van een Duitse dreiging, het defensie apparaat opstellen tegen een aanval uit het oosten, daarbij de schijn ophouden dat men ook terdege rekening hield met een aanval uit andere richtingen.

Voor zes mogelijke dreigingen werden plannen ontworpen om deze het hoofd te bieden. Zij werden in gekleurde enveloppen gestopt.
De mobilisatie centra hadden deze zes gekleurde en verzegelde "concentratie enveloppen" van de Sectie Operatiën van de Generale staf in hun bezit gekregen. Afhankelijk van de dreiging moesten de eenheden naar hun oorlogsbestemming, de concentratie. Aan alle onderdelen van de strijdmacht, aan de betrokken burgerautoriteiten (legering!) en aan de spoorwegen ging dus een telegram uit met de inhoud: "CONCENTRATIE BLAUW", hetgeen een dreiging uit het oosten inhield. Aanvang der vervoeren 31 augustus 24.00 uur.

De concentratie-vervoeren, die twee dagen duurden, betekenden, dat honderden treinen en kilometers lange colonnes van auto's, infanterie, wielrijders, huzaren en artillerie ons land in alle richtingen doorkruisten. Bij het vervoer van mensen en paarden voegde zich de stroom van munitie, voeding, kleding en uitrusting. Het reiziger- en goederenvervoer per spoor werd aanmerkelijk beperkt.

De Nederlanders van die dagen bouwden op God en vertrouwden op de autoriteiten en in die geest gaven zij ook gehoor aan de oproep tot algehele mobilisatie.  
Dat de mobilisatie en concentratie van het leger naar tevredenheid verliepen was in grote mate te danken aan het feit dat een strategische overval, die als een zwaard van Damocles boven het hoofd van Nederland hing, toen niet heeft plaatsgevonden.

In de avond van 3 september hadden de Nederlandse troepen hun oorlogsbestemmingen bereikt. 

De periode vanaf september 1939 stond in het teken van de stellingenbouw en oefening. Het maal van Jan Soldaat werd Rats kuch en bonen en zou de geschiedenis in gaan als : "de mobilisatieperiode".

 

De opstelling van het leger. [16]

De concentratie, of opstelling van het leger, was een gevolg waaraan verschillende factoren van invloed waren. 

Mocht er weer een wereldbrand uitbreken, zo was de verwachting bij de Generale Staf eind jaren 30, dan stond voor de meeste van hun wel vast dat de toekomstige vijand uit het oosten zou komen. De algemene verwachting was ook dat de vijand niet de fout zou maken, bij de omtrekking van de Belgische en de Franse verdediging als in 1914, om Nederland weer te ontzien. De Generale Staf verwachtte dat Limburg en Noord Brabant het eerste slagveld zou zijn.

De mobiliteit en de gevechtskracht van het veldleger was in het interbellum zodanig dat er nauwelijks een bewegingsoorlog mee te voeren was. De Generale staf wilde dat wel, maar de regering stelde daar geen fondsen voor beschikbaar.

Aan de hand van strategische oefeningen op de kaart en tactische oefeningen zonder troepen bleek dat als men het veldleger ten zuiden van de grote rivieren in Brabant zou plaatsen deze binnen de kortste keren zou worden vernietigd. Daarmee kwam de weg naar de Vesting Holland open te liggen en zou de Belgische en Nederlandse verdediging uiteen vallen. De strijd zou daarna door de vijand in Zeeland en Vlaanderen tegen Belgen en de te hulp geschoten Fransen beslecht worden.

Dat, zo meende de Generale Staf, zou een verspilling van het veldleger zijn.

Generaal Reijnders, inmiddels aangesteld als OLZ, koos tot een verdedigingsoorlog in stellingen in de Gelderse Vallei gevolgd door een terugtrekking naar de Hollandse Waterlinie, die als het meezat voorbereidt waren. 

*

  

Parachutistengevaar.

Aan het parachutisten gevaar in operationele zin werd slechts een geringe betekenis toegekend. Zulks blijkt duidelijk uit een in maart 1939  - ter geruststelling van het Nederlandse volk - uitgegeven brochure, getiteld: "Nederland is paraat"[55], van de hand van gen. maj. J.Th. Alting van Geusau, die in datzelfde jaar commandant was van het 1e Legerkorps, het legerkorps dat bij het afslaan van de Duitse luchtlandingen rondom 's Gravenhage zulk een belangrijke taak te vervullen zou krijgen. Daarin stelde de schrijver o.m.:

  • En dit geld evenzeer voor de tot de luchtstrijdkrachten behorende parachutetroepen. Dit hypermoderne strijdmiddel, waarvan de werking op de meest schromelijke wijze overdreven wordt, kan niet anders beschouwd worden dan als een hulpmiddel.
    Het naar beneden laten springen van grote troepen mag in vredestijd bij wijze van proef wel eens enig resultaat geboekt hebben, de voornaamste factor, nl, het mitrailleurvuur van de verdediger tegen de omlaag fladderende parachutisten, ontbrak daarbij.
    Kleinmoedige landgenoten laten zich snel wel eens door ijselijke verhalen, betreffende deze parachutisten van de wijs brengen, doch daarvoor is niet de minste reden.........

*

 

Vliegveld Valkenburg.

Het duurde tot 1939 eer duidelijk werd, waar het tweede nieuwe militaire vliegveld zou komen. Het eerste was gepland bij het Noordhollandse Bergen. De eis was dat het zich binnen de Vesting Holland, in Zuid- of Noord Holland, moest bevinden. Begin 1939 werd na wikken en wegen door het Min. v. Def. begonnen met de aankoop van grond bij Valkenburg (Z-H). Voor de aanleg van het vliegveld was in eerste instantie 3.650.000 gulden uitgetrokken. Maar nog voor de eerste spa de grond in ging, had minister van Dijk middels een forse bezuiniging die bedrag al gereduceerd tot tweeënhalf miljoen. [23]

De aanleg ervan werd uitbesteed aan de "Heidemaatschappij" die uit de wijde omgeving ruim duizend arbeiders aantrok om de klus te klaren. De aanleg geschiedde in het kader van een werkverschaffingsproject en startte op 17 april 1939. Volgens de NSB krant "Het Nationaal Dagblad" van 29 april en 1 mei 1939 waren de arbeiders niet tevreden, men beschuldigde de Heidemaatschappij ervan dat de beloning van de arbeiders afhankelijk was van de plaats van herkomst. De Centrale Inlichtingen Dienst deed een onderzoek en rapporteerde in bericht No.77174.

image-1 Leidse Courant 2024-11-05

1940. Hangaars in aanbouw. Vlnr : Hangaar A1, A2 en A3

 

Om het dorp Valkenburg enige naambekendheid te geven vond de burgemeester van Valkenburg dat het vliegveld naar zijn dorp vernoemd moest worden. Ook omdat Valkenburg het meeste terrein aan het toekomstige vliegveld kwijt zou zijn.

Op maandag 22 januari 1940 waren de plannen van de Duitsers voor de luchtlandingen rondom Den Haag al in een gevorderd stadium. Op deze datum, om omstreeks 13.30 uur, fotografeerde een Duits vliegtuig heimelijk het besneeuwde vliegveld en de omgeving hiervan. Het bleef niet onopgemerkt. Een stuk luchtdoelgeschut van vermoedelijk de 14e batterij, kwam in actie. Hierbij werd onder meer een granaat afgevuurd die niet in de lucht tot ontploffing kwam maar in Katwijk een kantoor trof. De blindganger sloeg dwars door alle verdiepingen heen in de kelder miste op een haar na een typiste. Naar aanleiding van deze luchtschending werd bij de regering in Londen als in Berlijn geprotesteerd. In Londen ontkende men elke betrokkenheid, Berlijn hulde zich in stilzwijgen. Het vliegtuig werd niet geraakt en een van deze luchtfoto's [25] dook op 11 mei 1940 weer op in een vastgelopen Ju-52 op het vliegveld.

Omdat men vond dat het enige vliegveld Soesterberg zich te dicht bij de voorste verdedigingslinies bevond werd met de aanleg grote haast gemaakt. Zodra het veld gereed was zou het Luchtvaartbedrijf (Lv.B.) hierheen worden overgeplaatst. Hoewel het veld nog niet vlieggereed was, de bodem was nog niet beklijft en het ingezaaide graszaad was door de strenge winter vernietigd, werd op 16 feb. wegens de ontruiming van Soesterberg toch besloten het Luchtvaartbedrijf over te brengen naar het veld. Vier stenen hangaars waren al gereed, de vijfde nog niet. Een der hangaars werd door het personeel van het Lv.B. ingericht als magazijn. 

Foto D. Johanna.

Duitse foto. Vlnr: hangaar B2, B1, A2 en A1. Middenvoor de verkeerstoren. [26]

Voor de aanleg van verspreide opstelplaatsen voor vliegtuigen op en in de omgeving van het veld was in maart in opdracht gegeven en ingebruikname van het veld zelf gepland op 1 juli van dat jaar. Daarna zou de eerste operationele afdeling van de 2e Jachtgroep, uitgerust met twaalf Fokker G-1 jachtkruisers hier haar thuisbasis vinden.
Ongeveer drie weken vóór het uitbreken van de vijandelijkheden was gebleken hoe een met zorg landende Fokker CV na het uitrollen langzaam in het terrein wegzakte. De ingebruikname  van het veld door het 2e Luchtvaartregiment kwam daarmee op losse schroeven te staan.

De posities, de sterkte van de verdediging van het vliegveld Valkenburg en de vorderingen van de infrastructuur op het veld was op 10 mei nog niet duidelijk volgens een rapport van Ic-22.I.D. Dat het veld nog niet bruikbaar was wisten zij ook niet.

In de koude winter van '39-'40 kon men regelmatig witte condensstrepen aan de hemel waarnemen. Vaak waren dat zeer hoogvliegende Heinkels He111F bommenwerpers welke waren omgebouwd om op de de He111G te doen lijken, de versie waarmee de Lufthansa haar vrachtvluchten verzorgde. Deze waren ook van de burgerregistraties van de Lufthansa voorzien maar deden dienst als fotoverkenner. Dit type verkenner werd bekend als de He111R.

*

  

Majoor Gijsbertus Jacobus Sas.  

Majoor Sas te Berlijn. [19]

De majoor Sas was na de val van Praag voor de tweede keer als militair attaché geplaatst in Berlijn. In mei 1939 stuurde hij een lijvig rapport naar Den Haag waarin hij ook wees op sterke eenheden parachutisten en luchtlandingstroepen.

Het November Alarm.

De sluizen gingen open en het water stroomde de polders voor de Grebbelinie binnen. Evacuaties uit deze gebieden, 2000 personen, werden uitgevoerd. De regering charterde twee schepen om de goudvoorraad in veiligheid te stellen. Het goud werd ingepakt maar vervoer bleef uit. Verdergaande maatregelen voor de verdediging van Nederland werden genomen tegen een invasie uit het oosten. 

*

De Nederlander werd ongerust en mede naar aanleiding van o.a het Venlo incident en de uniformensmokkel sprak op 13 november de toenmalige minister-president de Geer via de nationale omroepzenders het Nederlandse volk toe :

  • Waarde luisteraars in Nederland en in de overzeesche gebiedsdeelen:
    Het is aan de regeering gebleken, dat in de laatste dagen geruchten hebben geloopen over een acuut dreigend gevaar voor ons land en dat die geruchten in breede kringen onrust hebben gewekt. 
    En nu wil ik u even komen vertellen, dat daarvoor geen enkele grond bestaat.
    De aanleiding tot de geruchten schijnt te liggen in buitenlandsche radio- en persberichten en ook in enkele daden  van onze regeering.
     ...
    De regeering heeft geen enkele betrouwbare inlichting, die haar geloof aan het wederzijds gegeven woord kan schokken...

Deze van werkelijkheid gespeende opvatting van de leider van de Nederlandse regering droeg niet bij tot het indammen van de geruchtenstroom. Wel versterkte hij de van-niets-wetende publieke opinie de uit de eerste wereldoorlog daterende illusies. Nederland zou neutraal blijven. Dat was altijd zo geweest en zou altijd zo blijven. 
Majoor Sas las deze toespraak een dag later in Berlijn in de Telegraaf. Vooral de laatste regels kwetste hem bijzonder. "Geen enkele betrouwbare inlichting". 
Zijn gevoel, dat er met zijn inlichtingen niets gedaan werd, werd hier natuurlijk door versterkt.

 

*

1940

Het jaar begon met een koudegolf die bijna twee maanden zou duren. Er viel veel sneeuw en in de nacht van 11 feb. mat men op het vliegveld Eelde een temperatuur van 24 gr. C onder nul. [31]

Nieuwjaarswens van Polygoon.

 

Dagboek. Nederlanders zijn blind voor het oorlogsgevaar.

  • Amsterdam, 18 januari 1940
    Ed Murrow en ik zijn hier een paar dagen om over ons Europese correspondentschap te praten, althans dat is ons excuus. Om de waarheid te zeggen : we zijn dronken van de lichtjes 's avonds, het lekkere eten en de compleet andere sfeer. Gisteravond kwamen we in een sneeuwbui terecht, de vlokken dwarrelden neer als confetti en van puur geluk zijn we onder een lantaarnpaal een sneeuwbalgevecht begonnen. Ik verloor mijn hoed en bril en moest hinkend terug naar het hotel, uitgeput en opgetogen.
     
    De Hollanders genieten onverminderd van het leven. Hun maaltijden zijn fantastisch (oesters, wild, rundvlees, groente, sinasappels, bananen, koffie - alles wat je in de oorlogvoerende landen niet ziet). Ze eten en feesten, gaan naar de kerk, schaatsen op de grachten en bemoeien zich verder nergens mee.
     
    En ze zijn blind, volkomen blind voor het gevaar dat ze bedreigt. Ed en ik hebben getracht ze erop te wijzen, zonder succes naar ik vrees. De Hollanders willen van twee walletjes eten, zoals iedereen. Ze willen vrede en een gemakkelijk leven, zonder zich de opofferingen te getroosten, die daarvoor nodig zijn. Naar ik begrijp weigert de koningin halsstarrig elk militair overleg met de geallieerden. Als de Duitsers komen is er geen tijd voor stafbesprekingen met de geallieerden.

    De Hollanders zeggen dat als ze maar fluisteren naar de geallieerden Hitler dat als een excuus zal gebruiken om binnen te vallen. Alsof Hitler een excuus nodig heeft om binnen te vallen.
     
    Intussen blijft Duitsland zijn troepen en voorraden concentreren bij de Nederlandse grens, zoals ik zelf heb kunnen zien.
     
    William Shirer (1904-1993), Amerikaanse journalist, tot december 1940 gestationeerd in Berlijn. Ingekort fragment uit Berijn Dairy. Alfred A. Knopf, 1941.

*

Halverwege januari kwam in Den Haag van de militaire attaché uit Berlijn opnieuw een bericht  binnen. Een bericht waarbij (met de kennis van nu) de alarmbellen zouden moeten rinkelen; 

  • De pantserdivisie, die in het rayon Rheine - Osnabrück - Munster is gelegen, volgt bij de invasie globaal de weg;  's Hertogenbosch - de Langestraat - Rotterdam."

Het inlichtingenrapport van Sas verdween in de archiefkast van de generaal Reijnders om daar niet meer uit te komen.

Er aan toegevoegd moet worden dat op dát ogenblik de Duitse troependislocaties niet wezen op een directe aanval op Nederland, Op de stafkaart in de werkkamer van de majoor Sas was de situatie begin januari aldus: [19]

  • ten Noorden van Emmerik lag slechts de 1e cavaleriedivisie en het Xde legerkorps. 

  • Tussen Kleef en de parallel van Düsseldorf lagen negen divisies, voornamelijk reserve-formaties. 

  • Pas ten Zuiden daarvan werd de concentratie dichter, nl. 20 tot 30 divisies tot  aan Malmédy.

Maar GS IIIA was echter later wel op de hoogte van de Duitse aanvalsplannen door Noord-Brabant. Op 20 februari kwam al een bericht binnen waarin gewaarschuwd werd voor een aanval door Noord-Brabant op de Moerdijkbruggen. Ook in de inlichtingenrapportage van 26 april is terug te lezen dat een aanval door Noord-Brabant waarschijnlijk was. In dezelfde rapportage is terug te lezen dat op dat moment 6 pantserdivsies tegenover de Nederlandse grens lagen. Van een verrassing was dus geen sprake, de militaire top was op de hoogte van deze feiten, ongeacht wat er met de waarschuwingen van Sas is gebeurd. [84]

*

 

De wisseling.

In januari van 1940 rezen er tussen het kabinet, minister Dijxhoorn en de opperbevelhebber anderzijds een aantal geschilpunten ten aanzien van het te voeren krijgsbeleid. Een ervan was de "Staat van beleg", welke de regering met het nemen van het besluit tot de algemene mobilisatie niet had willen uitvoeren.
Een ander onderwerp waarin de regering en de opperbevelhebber van mening verschilden waren de z.g. "Mobilisatieclubs", welke door leden van de S.D.A.P. waren opgericht. Deze werden door de min. van Defensie toegestaan als zijnde moderne arbeiders bewegingen. Reijnders zag in dergelijke clubs slechts krijgstucht ondermijnende verenigingen zoals hem in de eerste wereldoorlog gebleken was. 
Ook hoe de verdediging van het oostfront van de Vesting Holland gevoerd zou moeten worden deed stof opwerpen.
Een gedachtenwisseling van de minister Dijxhoorn met de commandanten van het Veldleger en het 3e Legerkorps vatte Reijnders op als een motie van wantrouwen. Op 15 januari schreef hij een scherpe brief aan de voorzitter van de raad van ministers waarin hij uit de doeken deed wat er zoal mis was met wat hij typeerde het "compromis beleid" van de regering en enkele andere grieven. Nogmaals zette hij daarin uiteen hoe hij zich de taak van het leger voorstelde.

Op 30 januari werd hem medegedeeld dat Dyxhoorn zijn portefeuille ter beschikking stelde omdat hij de verantwoordelijkheid over het te voeren krijgsbeleid door de opperbevelhebber niet langer meende te kunnen dragen. Het kabinet wenste de minister echter niet te laten gaan. 
 
Bij de ministerraad was nu de overtuiging gegroeid dat de opperbevelhebber  vanwege deze meningsverschillen niet meer te handhaven was. Aan gen. Reijnders werd geadviseerd een verzoek tot ontslag in te dienen. Hij gaf er op 31 januari gevolg aan. De generaal kreeg nimmer een beslissing op dit verzoek. Hij moest het uit de krant vernemen.

De avondbladen formuleerden op 5 feb. de oplossing van de regering als volgt; [18]

  • Zooals uit de staatscourant van hedenavond zal blijken is aan generaal I.H. Reijnders, opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, op een daartoe door hem gedaan verzoek, door H.M. de Koningin eervol ontslag uit den militairen dienst verleend onder (bijzondere) dankbetuiging voor de uitnemende diensten door hem (aan Haar en aan den Lande) in verschillende gewichtige betrekkingen en in buitengewoon moeilijke omstandigheden bewezen. 
    Tot zijn opvolger is benoemd de gepensioneerde luitenant-generaal H.G. Winkelman, sedert het intreden van den mobilisatietoestand commandant van de luchtverdedigingskring Utrecht-Soesterberg, terwijl laatstgenoemde tegelijkertijd is benoemd tot generaal".
    Naar wij vernemen heeft in hoofdzaak verschil van inzicht met de Regeering ten aanzien van vraagstukken van technisch-militairen aard tot de ontslagaanvrage van generaal Reijnders geleid.

Op 6 februari werd hem eervol ontslag verleend. Daarmee was het doek gevallen en kwam een einde aan de lange geschiedenis die werd gekenmerkt door een haast chronische conflictsituatie tussen regering en de hoogste militaire autoriteit.

Op dezelfde datum trad als nieuwe opperbevelhebber de in 1934 gepensioneerde Lt. Gen. Winkelman aan die gedurende de mobilisatie commandant van de Luchtverdedigingskring Utrecht-Soesterberg was. Ook de chef-staf, generaal Carstens werd vervangen door  gen.H.F.M. Van Voorst tot Voorst. 
E.e.a. hield natuurlijk wel in dat beide zich moesten inwerken, wat enig tijd koste. Hetgeen weer ten koste ging van 's lands verdediging.
Het vertrouwen tussen de regering en het opperbevel was hiermee hersteld. Generaal Winkelman evenwel was niet van plan om zich te laten binden door de strategische aanwijzingen van de regering. Hij wilde het vraagstuk van de landsverdediging binnen de politieke richtlijnen van de regering naar eigen overtuiging oplossen. 

 

Het opvoeren van de geoefendheid.

De honderdduizenden werkelozen, die elke dag hun kaart moesten laten stempelen, werden niet betrokken bij de aanleg en het herstel van de jarenlang verwaarloosde verdedigingsstellingen. Het herstel en de aanleg van nieuwe stellingen werd uitgevoerd door de militairen die deze zouden verdedigen. Dat ging ten kostte van oefentijd. Het materiaal voor deze bouw; hout en aarde.
Vaak gebeurde het dat zo'n stelling na afbouw afgekeurd werd en moesten er professionele krachten ingehuurd worden om alsnog tot een acceptabel resultaat te komen. 

Twee werkdagen in de week werden bestemd voor het houden van oefeningen. De vier resterende werden besteed aan stellingbouw. In maart was de stellingbouw zover gevorderd dat het werd omgedraaid. Twee dagen bouw en vier dagen oefenen. 

Er waren niet overal schietbanen beschikbaar, terwijl uit hoofde van veiligheid, slechts in beperkte mate gebruik kon worden gebruik gemaakt van geïmproviseerde schietgelegenheden. Dat werd opgevangen door het vervoer per auto van de eenheden naar de schietbanen. Onvoldoende hoeveelheid munitie belemmerende echter de schietvaardigheid van de Nederlanders. Het 1e Legerkorps hield dergelijke schietoefeningen in de duinstrook en van daaruit ook op doelen in zee. In het Infanterieschietkamp te Harskamp vonden, in aansluiting cursussen voor off. en kader van mortier-, pantserafweergeschut- en mitrailleurcompagnieën plaats.

De marsvaardigheid was in november 1939 opgevoerd. Infanterie in bataljonsverband moest een mars van 25 Km. kunnen afleggen, de bereden artillerie 35 km., de cavalerie 40 en de wielrijders 90 Km. Na november werd er overgegaan tot opleiding en oefening in groter verband (bataljons, afdelingen en regimenten), waarbij in het bijzonder de verdediging van stellingen alsmede de samenwerking van de infanterie met de artillerie meer aandacht kregen. Door de vertraging in de stellingbouw, onder meer door de strenge winter kwam er van oefeningen op Divisieniveau en hoger weinig terecht.

*

 

Verdediging vliegvelden.

Hoe de luchtverdediging zich in zijn ogen in de nabije toekomst zou dienen te ontwikkelen zette Luit. gen. P.W. Best in maart 1937 uiteen in een lezing, getiteld "Een en ander over gebruik en organisatie van Nederlandsche luchtstrijdkrachten bij den landoorlog" (gepubliceerd in: Orgaan der Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap (1936/1937) 236-315). 

In deze voordracht, die in brede kring de aandacht trok, voorspelde hij dat in een toekomstig militair treffen de tegenstander zich door een onverwachte strategische overval, zonder oorlogsverklaring vooraf, met behulp van sterke, gemotoriseerde strijdkrachten, in combinatie met energiek uitgevoerde luchtaanvallen op de vliegvelden, van Nederland zou trachten meester te maken. Bovendien ontvouwde hij in deze lezing een plan om binnen drie jaar te komen tot een moderne, geïntegreerde luchtverdediging onder een centraal geleid commando.

Hij was in het bezit van een verzameling Duitse kranten uit 1939 waarin Duitse knapen werden geworven voor de Fallschirmtruppen. Daaruit bleek zonneklaar dat onze oosterbuur druk doende was met de opzet van een nieuw wapen en nieuwe strijdmethoden wilde uitproberen
Wat hij niet wist was dat de 7e Fliegerdivision, die in '38 werd opgericht, erop leek een gewoon vliegtuigeskader te zijn. Het was echter een misleiding. Opgericht werd toen een luchtlandingskorps onder bevel van K. Student met als thuisbasis Munster. Tot 10 mei 1940 bleef de grootte van dit korps (FJR1) geheim, ondanks de waarschuwing van majoor Sas in mei 1939 dat deze eenheid toen al uit ongeveer 2000 man bestond. GS III, de Nederlandse inlichtingendienst beoordeelde deze informatie als overdreven en nam de waarschuwing niet au sérieux.

Toen Fallschirmjägerregiment 1 (FJR1), als elitetroep als eerste van de paraderende troepen, op haar eerste officiële parade voorbij Hitler marcheerde op 20 april 1939, was een oorlog imminent. Opmerkelijk is dat deze troepen de erewacht op het Binnenhof zouden vormen bij de machtsovername door Seys Inquart.

Meermalen betoogde generaal Best dat;

  • Onze vliegparken de sleutels tot de Vesting Holland zijn!. 

Met deze opvatting stond hij in het Algemeen Hoofdkwartier praktisch alleen. Een en ander bleek ook uit de geringe mate waarin hem troepen ter beschikking werden gesteld voor de verdediging van de vliegvelden.

Op 20 april kwam hier verandering in.

Op 8 april 1940 was de vlieger Evert van Dijk van de KLM met zijn DC-3, De Kemphaan, op het vliegveld Fornebu bij Oslo getuige van de overval uit de lucht van dit vliegveld. Hij mocht op 16 april na afloop van de strijd met zijn vliegtuig vertrekken en kon de volgende dag een gedetailleerd verslag uitbrengen over de daarbij door de Duitsers toegepaste methode. 
Hij berichtte;

  • Dat hij had waargenomen dat de Duitse stoottroepen met normale verkeersmachines vervoerd werden; op het kleine vliegveld  Fornebu bij Oslo waren ze met vier of vijf toestellen tegelijk geland. - "Op Schiphol zouden", merkte hij op, "plusminus twintig toestellen per halve minuut kunnen landen". - , en de Oslo'se vertegenwoordiger van de Lufthansa, een Duitse burger, had aan de Duitse officieren, nauwelijks waren ze uit hun toestellen gestapt, kaarten en opdrachten uitgereikt en was aan het hoofd der Duitse troepen naar Oslo gemarcheerd. 

De laatste opmerking was een aanwijzing dat vrijwel geen Duitser die in het buitenland woonde volledig te vertrouwen was. In Den Haag had men bij Justitie diezelfde conclusie al getrokken.

De melding van deze vlieger was de oorzaak, dat het opperbevel in één slag op de hoogte was van wat ons bij het optreden tegen onze vliegvelden te wachten stond. Een op zich staand geval was dit niet, dat een vlieger informatie verstrekte aan GS IIIA. Reeds vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog gaven KLM vliegers, op verzoek of vrijwillig, ingewonnen informatie door aan GS IIIA., de geheime dienst afdeling buitenland.

Van Dijks informatie werd door GS IIIA buitengewoon serieus genomen. De  gebeurtenissen werden grondig bestudeerd waardoor men enig inzicht kreeg op welke wijze de Duitsers de vliegvelden aldaar overvielen. 

Van een grote luchtlandingsoperatie op het vliegveld Fornebu was evenwel geen sprake, het zicht was slecht. Slechts een aantal Ju-52 met luchtlandingstroepen streek neer op het vliegveld, de parachutisten (2/FJR 1) werden vanwege het slechte weer niet eens ingezet. Zij keerden terug naar die Heimat. [36]
Wel was op 14 april één compagnie parachutisten (1/FJR1) geparachuteerd bij Dombås (N) om de te voorkomen dat de Engelsen en Noren zich daar zouden verenigen. Deze compagnie werd in de pan gehakt en de overlevenden werden gedwongen zich over te geven. [14]
De tegenmaatregelen die hierna in Nederland werden genomen waren dan ook gericht als zodanig. De overtuiging bestond dat het optreden van luchtlandingstroepen zich tot kleine, verassende aanvallen zou beperken. [37]

Naar aanleiding hiervan liet generaal Winkelman op 20 april de belangrijkste vliegvelden extra bewaken:

  • Ypenburg. Een bataljon infanterie met een half eskadron pantserwagens.

  • Waalhaven. Een bataljon infanterie met een sectie pantserwagens.

  • Schiphol. Een bataljon infanterie met een half eskadron pantserwagens.

  • Ockenburg. Op 8 mei 22 Dep. CBT minus een sectie.

  • Valkenburg. De 1e de 3e Compagnie van III-4R.I. plus de 4e sectie zware mitrailleurs van dat bataljon.

  • Ruygenhoek bij Noordwijkerhout. Delen van 4 Dep. CBT waren op 8 mei naar Ruygenhoek gedirigeerd en op 10 mei de 1e compagnie van II-1 R.I. en de 2e Sectie van 2-II-1R.I. 
    Het 4e Dep.C.B.T. was belast met de binnenverdediging. Ze had daartoe de beschikking over zes lichte mitrailleurs. Met het maken van gevechtsopstellingen was men op 10 mei nog bezig. Wel waren er op het vliegveld schuilloopgraven aangelegd. Onderdelen van 1R.I. waren belast met de buitenverdediging en bestond uit wegversperringen rond het vliegveld en in de richting van Noordwijkerhout. .


Rondom elk vliegveld werd bevolen om machinegeweren in stelling te brengen en deze af te dekken om deze daarmee te beschermen tegen luchtaanvallen door Duitse jagers.
Dit alles werd niet gepubliceerd en drong dus ook niet door tot het grote publiek. Dat kende als voornaamste graadmeter voor de opgelopen spanningen de stand van de militaire verloven. Werden die toegestaan, dan, zo meende men, was er geen reden tot bezorgdheid. Die reden was er wél, wanneer zij werden ingetrokken.

Voor de verdediging van het Vliegveld Valkenburg werden de eerste en de derde compagnie van het derde infanteriebataljon van het 4e  regiment infanterie aangewezen, (1,3-III-4R.I.). Het personeel werd in drie groepen verdeeld en om de vierentwintig uur werd de wacht gewisseld. Lt.Kol. H.D. Buurman (C.-4R.I.) gaf een " Instructie en algemene aanwijzing " uit voor de verdediging van het vliegveld.

*

 

Het hoofdkwartier.

Begin april werd de betrekkelijke rust wreed verstoord. En alweer was het Oster, van wie het alarm kwam. Op 2 april gaf majoor Sas de volgende visie die naar Den Haag werd doorgeseind :

  • Het is onjuist te menen dat er niets zal gebeuren aan het Westelijke front. Ik ben diep overtuigd dat het spoedig zal losbarsten. Ik kan geen vaste datum aangeven, maar mijn persoonlijke indruk is dat 15 april het begin zou kunnen zijn van een offensieve actie tegen Denemarken in de richting van Noorwegen, en drie of vier dagen later tegen België en Nederland. Ik herhaal dat ik absoluut overtuigd ben van een offensief in het Westen.

Op woensdag 4 april waarschuwde majoor Sas vanuit Duitsland aan een van de weinigen die hij nog vertrouwde, de kapt. Kruls, een van de adjudanten van minister Dijxhoorn in een telefoongesprek, de gezant was niet aanwezig op het gezantschap in Berlijn om het gecodeerde telegram te ondertekenen het volgende. Hij stelde Kruls voor om op 9 mei samen in Nederland te gaan eten, daarmee aanduidende dat de aanval op 9 april te verwachten viel.
Pas in de avond was de gezant terug op het gezantschap en kon het telegram verzonden worden. [19]

  • Geloofwaardige bron meldt aan de militaire attaché invasie zeker van Denemarken en Noorwegen in begin volgende week, vermoedelijk dinsdag (negen april). Groot gevaar voor aanval, hetzij tegelijk, hetzij korte tijd later, tegen Nederland, België en Frankrijk.

Menig maal had Sas al niet de invasiedata voorspeld! Men besloot de Denen en de Noren niet te waarschuwen, van Kleffens kreeg het bericht helemaal niet. Engeland ontving deze waarschuwing ook niet uit Nederland. Toch werden deze drie landen gewaarschuwd, namelijk via de kanalen van Sas. Die nam het initiatief in eigen handen. 

Aan Sas' waarschuwing met betrekking tot ons eigen land werd door de leiding van GS III overigens geen speciale betekenis toegekend: die waarschuwing had een voorwaardelijk karakter gedragen en ze stemde niet overeen met het algemene beeld dat de inlichtingendienst op dat moment bezat van de concentraties van Duitse troepen aan de grens en van hun bewegingen: er werd dan ook tussen 4 en 9 april geen enkele voorzorgsmaatregelen genomen. Aan Deense en Noorse kant werden ook geen maatregelen genomen, zij geloofden er niets van.
Op 9 april werden Denemarken en Noorwegen door de Duitsers overvallen. 

Het Algemeen Handelsblad van dinsdag 9 april. "De Regeeringspersdienst meldt";

  • "De regering heeft - bij wijze van voorzorgsmaatregel - besloten de volgende verloven in te trekken:

    1. Voor al het personeel van de land- en zeemacht :

      • de periodiek verloven:

      • Vakantieverloven:

      • Buitengewone verloven (muv die, verleend wegens ernstige ziekte of overlijden van gezinsleden)

    2. Bovendien voor het personeel,

      •  behorende bij de luchtstrijdkrachten, 

      • de luchtdoelartillerie, 

      • de luchtdoelmitrailleurs en de zoeklichten: 

      • Zakenverloven . 

      • Studieverloven.

  • Alle militairen aan wie voorgenoemde verloven zijn verleend, moeten terstond naar hun standplaats terugkeren.

Het toeval wilde dat enige dagen na de invasie van de twee Scandinavische landen, bij Den Haag een grote Duitse dienstenveloppe werd gevonden. Deze was geadresseerd aan de "Ausland-Organisationen der NSDAP" in Berlijn. Voor de zekerheid bracht de vinder het naar een politiebureau en binnen enkele uren lag zij bij de hoofdcommissaris op zijn bureau en werd open gemaakt. 
Acht verschillende stukken kwamen voor de dag. De stukken behelsden tientallen spionage berichten uit alle delen des lands: bunkers, vliegvelden en wegversperringen werden beschreven, troepenverplaatsingen en afgeluisterde gesprekken werden weergegeven, verschillende op papier van de Duitse legatie en ondertekend door O. Butting, attaché, tevens hoofd van de "Reichsdeutsche Gemeinschaft".
Onmiddellijk werd een Duits reserve officier verhoord die men allang wantrouwde, hij viel door de mand en bekende door Butting te zijn afgeperst.
De vondst van deze stukken droeg niet weinig toe tot de zorgen der regering. Zou Den Haag een tweede Oslo worden?
Nieuwe maatregelen werden getroffen. De staat van beleg werd op 19 april uitgebreid voor het hele land. Staatsgevaarlijke personen werden door het militaire gezag geïnterneerden konden er afdoende maatregelen tegen spionage en verdachte personen genomen worden. Na lang wikken en wegen werden een 33 tal personen van de 800, tegen wie min of meer sterke aanwijzingen bestonden, aan gen. Winkelman voorgedragen om in bewaring te worden gesteld. Van deze schrapte Winkelman er nog enige, zodat tenslotte een 28 tal overbleef. Hiervan verbleven er een aantal in het buitenland of zaten reeds voor het ondergaan van straf in een gevangenis.
Op 4 mei werden 21 personen die gevaarlijk werden geacht voor de rust en veiligheid des lands geïnterneerd

Halverwege april meldde majoor Sas uit Berlijn aan 's Gravenhage; [29]

  • De pantserdivisie, die in het rayon Rheine - Osnabrück - Munster is gelegen, bijzonder te doen gadeslaan aangezien een verplaatsing van deze pantserdivisie naar het zuiden een indicatie is voor onmiddellijk gevaar van een invasie. De route van die de pantserdivisie zou bij de invasie globaal zijn; 's Hertogenbosch - de Langestraat - Rotterdam. 

Deze uiterst belangrijke en alarmerende waarschuwing werd wel op GS IIIA ontvangen maar generaal Winkelman wist, zo vertelde hij na de oorlog aan de Parlementaire Enquêtecommissie, niets van dat bericht. [27]
Onbegrijpelijk, omdat talloze GS III rapportages er al op hadden gewezen dat de Duitse hoofdaanval met tankeenheden in Noord-Brabant zouden plaatsvinden. GS III rapporteerde al op 20 januari 1940 dat de strategische doelen van de Duitse opmars de Moerdijkbruggen, Zeeland en Antwerpen zouden zijn. [85]

*

 

Op 10 april werden de verloven ingetrokken, en op de 27e werd deze maatregel weer ongedaan gemaakt. De situatie bleef explosief. Een inlichtingenrapport van 26 april 1940 :

"Mededeling van gegevens no.27" (tijdvak t/m 23 april 1940) [9]

  • Naar te oordeelen bevoegde kringen in Duitschland beweren, zal het al of niet binnenvallen in Nederland en (of) België slechts een kwestie van gunstige conjuctuur zijn.... De opstelling der Duitse troepen is zoodanig, dat op elk gewild oogenblik overgegaan kan worden tot een aanval naar het westen, waarbij de rechtervleugel (noord van de rivieren gedekt door Duitsche troepen) zijn opmars zou kunnen kiezen door Noord-Brabant.

Daar het noodzakelijk was reeds dadelijk in het hart des lands  te beschikken over zeer snel verplaatsbare troepen, teneinde te kunnen optreden tegen valschermtroepen, werd het 1e Regiment Huzaren Motorrijder (1-RHM ) dat tot de Lichte Divisie (Veldleger) behoorde, op 23 april van Noord - Brabant naar Wassenaar verplaatst en onder rechtstreeks bevel van de Commandant Vesting Holland gesteld. Tevens kreeg de burgemeester van Wassenaar van de minister van defensie een telegram waarin de uitzonderingstoestand in zijn gemeente werd afgekondigd en werd Lt-Kol. J.J. Teding van Berkhout (C.1-RHM) als kantonnementcommandant benoemd. 

*

 

Maaldrift.

Maaldrift was een burgervliegveldje met een aantal bollenschuren ten zuiden van het vliegveld Valkenburg  langs de Rijksstraatweg Den Haag - Amsterdam. In 1939 waren er drie loodsen en een grote munitiebunker door de genie gebouwd. 

Al eerder was besloten om het Luchtvaartbedrijf (Lv.B.) over te brengen van Soesterberg naar Valkenburg, dit omdat het te dicht bij de gevechtszones van de Grebbelinie lag. Het vliegend materieel werd op 7, 8 en 9 mei overgevlogen naar verschillende vliegvelden. 
Een spoortrein bestaande uit 30 wagons vertrok op 7 mei vanuit Soesterberg naar Warmond waar het materieel werd opgeslagen in de Padox timmerfabriek. [39]
Op 8 mei vertrok uit Soesterberg een colonne vrachtwagens met personeel en materieel van de bewapeningsdienst en de buitendienst naar Maaldrift alwaar het materiaal in de genieloodsen werd opgeslagen. 
Op 9 mei werden de genieloodsen bij Maaldrift ingericht voor de buitendienst. De HTM raakte voor de inkwartiering van de vliegtuigmotoren revisiewerkplaats de helft van haar remise kwijt. [24]
Daar geen bewaking kon worden verkregen op Maaldrift werd er een detachement van 12 eigen mensen gestationeerd. De 48 anderen werden in Wassenaar ingekwartierd. De keuringsdienst  en de Radio en Elektronische dienst werden ondergebracht in een bollenschuur aan de Spelderslaan te Wassenaar. 
Op 10 mei in de morgen waren te Maaldrift 27 man aanwezig ter verdediging, het restant, 33 man, verbleef in Wassenaar. [24]

*

Vierde Regiment infanterie.

Het vierde Regiment Infanterie kwam bij de mobilisatie op verschillende plaatsen op in Leiden. Op 1 september werd voor het 4e regiment het kantonnement Noordwijk aangewezen. Commandant was Lt. Kol. Buurman (C.-4R.I.) en woonde deze periode in Regentesselaan te Oegstgeest. [25]

Op 28-08-1939 werden de z.g. reserve regimenten (de zg. oorlog- of dubbel regimenten) opgericht. Zo ook het 28 R.I., dat voort kwam uit 4 R.I. (Nummering: 4R.I.+24=28R.I.)

Voor de buitenstaander leek het er op dat het 1e legerkorps, waar 4R.I. was ingedeeld, een aanval op de stranden moest afslaan. Echter het 1e legerkorps diende als strategische reserve en viel daarvoor onder het directe bevel van de opperbevelhebber. 4R.I. zou worden bestemd als frontreserve van het Oostfront van de Vesting Holland en daartoe gelegerd worden in Woerden.

Mobilisatielegering van verschillende eenheden van de 3e Divisie voor zover bekend.

Het derde Bataljon kwam te Katwijk in legering. [43]
De eerste compagnie kreeg de Duinschool (r.k.Meisjesschool aan de Bronckhorststraat) in Katwijk aan Zee toegewezen, de tweede compagnie kwam via een garage en een nettenschuur terecht in het Weeshuis aan de Voorstraat aldaar; de derde compagnie werd gelegerd in twee scholen te Katwijk aan den Rijn en de mitrailleurcompagnie in het R.K. Seminarium. De onderofficieren bivakkeerden in de Roskam.

Noordwijk kreeg ruim 3000 soldaten over de vloer van het eerste en tweede bataljon van het vierde regiment infanterie en van het tweede regiment Artillerie. De mitrailleur compagnie van de tweede bataljon (MC-II-4R.I.) werd in de R.K. Jongensschool (St. Jeroenschool) aan de Zeestraat gelegerd. De rest van het voetvolk in de Wilhelminaschool, de christelijke scholen aan de Nieuwe Zeeweg en Huis ter Duinstraat, Juvenaat, de diverse bollenschuren in de Vinkenlaan, de Offenweg en Lijnbaanweg en de officieren in grote villa's en woonhuizen. 

  • De mitrailleurcompagnie van II-4 R.I. was gehuisvest in een schoolgebouw van de R.K Jongensschool in Noordwijk. Geslapen werd er op zakken gevuld met stro. Na daar een paar dagen op geslapen te hebben waren deze zo plat als een dubbeltje. Achter de school was een bijgebouwtje neergezet waar je jezelf kon scheren en wassen. In de koude winter van '39-'40 was het een ondoenlijke zaak om jezelf daar te wassen of te scheren, er was geen verwarming. 
    Soms kwam er een douchewagen langs.
    De mitrailleurs met de materiaalwagens stonden in een schuurtje nabij het bataljonsbureau. De compagnie zelf werd hopeloos verdeeld. Overal in het dorp stonden wachtposten en werd de wacht gelopen. Geen van de wachtposten had een verbinding met een centrale wachtpost of eventueel de hogere legerleiding. Het was meer om de mannen bezig te houden dan dat er sprake is van een verdedigingsplan. Als de gemoederen onderling te hoog opliepen werd er een mars van 40 KM georganiseerd waardoor het weer een paar dagen rustig was in de gelederen. Gelukkig had ik een fiets en kon zo af en toe naar huis in Voorschoten.

De bij de mobilisatie eerst opgerichte compagnie pantserafweergeschut kwam in Noordwijk en Katwijk in legering. [25]

Het 4e Reserve Grens Bataljon had detachementen gelegerd aan de Wassenaarse Slag, Katwijk aan Zee, Noordwijk en Noordwijk Radio. Ook was in Katwijk tot 10 mei het 1 Eskadron Wielrijders van 3-3.R.H. gelegerd.
Pater de Boer ondernam iedere maand een tocht naar NORA om:

  • "de daar verafgelegen kustwacht te bezoeken en voor te bereiden op de communie. Van de zielzorgwagen werd dan héél wat gevergd. In zijn burgerbetrekking zal hij als luxe-wagen glunderend op de grote wegen gereden hebben, nu ging hij hijgend, klauterend en tegenstribbelend dóór en óver de duinen. Twee maal heeft hij zich ingegraven in het zand, zodat bijna de hele afdeling met planken en schoppen moest komen om "de zielzorg" uit de benarde positie te redden.
    De communie was voor die "rimboejongens" een feestmorgen. 

Op 19 september werd kapitein J.J. Cramer (C.-II-4R.I.), bij Koninklijk besluit 19, bevorderd tot res. majoor der infanterie.

Ongeveer half september werd het weer ongunstiger, regenbuien en koude deden hun invloed gelden. Onder deze omstandigheden werd half oktober begonnen met het ontgraven en in orde brengen van de schuilplaatsen kust, die tijdens de vorige mobilisatie waren aangelegd met het doel een landing op de kust af te slaan. De werkzaamheden begonnen volgens de ontvangen bevelen zeer vroeg in de morgen en eindigden eerst laat in de middag. 

Op 2 oktober bracht Z.K.H. Prins Bernhard een bezoek aan het regiment.

Op 17 oktober werd te 17.00 uur bevel ontvangen [25] tot verkenning van de opstellingen langs de kust. Hierbij zou 4R.I. een rol spelen ter verdediging van het kustvak van de Groep Leiden der Vesting Holland. 4R.I., III-2R.A. en 1MC vormden nl. de frontreserve B onder bevel Van Overste Buurman (C.-4R.I.). In geval van een bedreiging van de kust zou deze gelegerd worden te Wassenaar en Voorschoten, frontreserve A onder bevel van C.-1R.I. met gelijke sterkte te Sassenheim-Lisse.

Op 26 oktober werden bevelen ontvangen ter verdieping van de verdediging van het oostfront van de Vesting Holland. Overste Buurman ging de volgende dag verkenningen verrichten. In dit geval zou het regiment bestemd worden tot frontreserve en legeren in en om Woerden. Stellingen werden verkend ter verdediging van het kanaal van Amsterdam naar Jutphaas en tussen de Reeuwijkse en Nieuwkoopse plassen. Ook vonden besprekingen plaats met de commandant van de Groep Lek ter versterking van die groep.
Hand in hand met deze verkenningen werden ook die voor de kustverdediging voortgezet en werden grendel- en tussenstellingen verkend nabij 's Gravenhage en in het Westland. 
Zodoende werden maatregelen getroffen voor het eerlijk handhaven van de neutraliteit, zowel naar het oosten als naar het westen. Maatregelen tegen het zuiden waren niet het werk van 4R.I..

Verschillende omstandigheden hadden een remmende werking op de geoefendheid volgens overste Buurman (C.-4R.I.); [25][40]

  • Zooals te begrijpen is, waren de eerste zorgen van de commandanten gewijd aan de legering van den troep, die over het algemeen aan redelijke eischen voldeed, terwijl in den loop van den tijd steeds verbeteringen werden aangebracht. Daarnaast werd als hoofdzaak beschouwd de discipline te verbeteren en te verdiepen. Was de tucht in de eerste dagen meer gevestigd op good-will, al spoedig werd, zij het vaak met moeite en overleg, den soldaat het noodige bijgebracht. Tevens werd begonnen met het oefenen, aanvankelijk groeps- en sectiegewijze, later in grootere verbanden, ook de marschvaardigheid werd opgevoerd.
      
    Bij al deze aangelegenheden deed zich het gebrek aan geschikt instructief personeel gevoelen. Slechts drie beroepsofficieren waren bij het regiment ingedeeld, die hun collega's van de reserve konden voorlichten, een dezer werd half Februari bevorderd tot majoor en verliet het regiment. Ten slotte werd er naar gestreefd de geest in het regiment zoo op te voeren, dat allen zich als lid van een gezin zouden voelen. Dit gelukte dank zij de medewerking van alle  officieren. Minder bevredigend was de inzicht in den ernst van den toestand. Mocht men bij de mobilisatie in 1914 gemeend hebben binnen korte tijd in een oorlog betrokken te zullen worden, thans heerschte vrij algemeen de overtuiging, dat met het mobiliseren van het leger alle gevaar geweken was en geleek deze toestand op een voortzetting van de mobilisatie van 1914-1918. Voor de groote sterkte ontbraken daarboven geschikte oefenterreinen, slechts enkele plaatsen in de duinen waren daartoe beschikbaar.
        
    Een andere zorg was het gebrek aan kleeding, aan wapens (vooral karabijnen en pistolen waren niet voldoende aanwezig), telefoonmateriaal (ten deele afgegeven aan het grensbataljon en niet vervangen) en tentmateriaal (a.v.).
    In den loop van het najaar en van den winter werd veel aangevuld. Wijders waren er gegronde klachten over de hoedanigheid van het brood, de onregelmatige bezorging van de poststukken door de veldpost en het gebrek aan badgelegenheid. Ook hieraan werd later tegemoet gekomen, de badgelegenheid bleef gebrekkig. Wat de geestelijke verzorging betreft moet worden opgemerkt, dat die der Roomsch-Katholieke militairen beter functioneerde dan die der Protestanten. Deze laatste is tot het einde  toe niet goed georganiseerd geweest, deze dienst werkte naast de R.C. die niet voldoende op de hoogte werd gehouden van de werkzaamheden buiten het kantonnement aan de veldpredikers onder zijn bevel opgedragen. De geneeskundige dienst werkte goed.
      
    Met dit al werd steeds naar beter gestreefd. Konden gedurende de Septembermaand af en toe schietoefeningen gehouden worden, na 3 October trad een verslechtering in doordat ook de IIIe Divisie, gelegerd tusschen Haarlem en Warmond van de schietbanen te Katwijk moest gebruik maken.

*

 

Het Novemberalarm.

In verband met de verscherping van de toestand werden op 10 november de periodieke verloven voor gezinsbezoek, die na 16 september verleend waren geworden, stop gezet en na 21 november wederom toegestaan.

Sergeant K.J. van Hartingsveldt (C.1-2S-MC-II-4R.I.) te Noordwijk.

  • Zo gebeurde het, dat in de spannende week vanaf zondag 5 november 1939, meerdere malen zeer positieve berichten waren binnengekomen, die inhielden, dat gevaren voor een onverhoedse aanval tot de mogelijkheden kon gaan behoren. Er was echter die week tot aan de zaterdag van 11 november niets gebeurd, hoewel er reeds een alarmtoestand was, waardoor de verwachtingen van mogelijk plotseling afkomende berichten bleven. De avond ging iedereen als gewoon ter krib en trachtte ondanks de zenuwtoestand die er heerste, te dommelen. De zakken en ransels waren gepakt en de wapens voorhanden om eventueel te vertrekken met toen nog onbekende bestemming. Ook was het als altijd weer rustig en inmiddels bij half één in de nacht.

    Plotseling, geheel onverwacht, klonk het alarmsignaal. Een tamboer hoornblazer had die opdracht van zijn wachtcommandant gekregen en blies herhaalde malen de bekende melodie, terwijl hij daarbij de geboden wandeling maakte over de gangen en langs de vertrekken en slaapzalen van het kwartier.

    Juist die avond hadden we ons op bevel gekleed moeten houden, omdat alarm verwacht kon worden, dus konden we ogenblikkelijk onze uitrusting en wapens opnemen, onze mitrailleurs uit de stallen rijden en enkele minuten later in vol tenue en als gewapende troep uitrukken. Het was een vrij donkere nacht, echter goed hebbelijk weer, gelukkig geen last van de kou en geen regen. In tegenstelling tot voorgaande nachtelijke uittochten, die min of meer ter verhoging van de paraatheid hadden moeten dienen, wisten we nu wel zeker, dat het dit maal hoogst ernstig moest worden genomen. Uit alles was het goed op te maken, dat als het ernst betrof, waarvan dit het voorbeeld was, een ieder zijn beste beentje voorzette en zijn taak meer dan voorheen verstond. Veel gemoedelijker, maar meer toegewijd werden orders uitgevoerd, de best geslaagde oefening ging ooit zo onberispelijk.

    Nadat we met verschillende andere onderdelen uit de omgeving op het gegeven verzamelpunt waren aangekomen, vertrokken we voor een nog steeds ons onbekend doel. Misschien ter beveiliging van het kustgebied of ter versterking van het grensgebied van het centrale Holland? Waarheen?

    Katwijk passeerden we. Alles was er rustig. Men hield zich binnenshuis of was wellicht reeds naar bed. Het vliegveld 'Valkenburg' lag even rustig als altijd. We gingen ook daar voorbij, steeds verder. Zo verliep een groot deel van die nacht. Na enige uren zagen we de eerste huizen van Wassenaar. Erg vermoeid van die plotseling opgekomen nachtelijke tocht, konden we eindelijk langs een vrij lange bomenlaan wat rusten. Onze commandanten gingen op inkwartiering uit, waaruit wij opmaakten, dat hier, in deze omgeving ons einddoel wel moest liggen. Het was inmiddels al wat lichter geworden, half vijf, zondagmorgen, zo niet honger dan toch trek om iets te eten hadden we. Vanzelfsprekend werden de noodrantsoenen, die uit de welbekende kaken bestonden, allerwegen aangesproken.

    Vrij spoedig na de aankomst konden we een schoolgebouw betrekken, waar we die morgen verder de vermoeienissen konden te bovenkomen. Enkele uren hebben we daar kunnen vertoeven en na een overheerlijke warme pot van eigen keuken, die meegevoerd was, hadden we zo niet geslapen, dan toch nog wel wat gerust.

    Toen kwam weer bericht binnen, dat niets was veranderd en plannen der oorlogvoerenden schenen gewijzigd te zijn. We keken elkaar aan! Zou een aanval zijn opgegeven? Na nog enkele ogenblikken van twijfel en onzekerheid begon zich de spanning te breken, een aanval, zo niet opgeheven, scheen ten minste voorlopig van de baan en uitgesteld, want de eerste echt gevreesde zondagmorgen verliep en bracht geen invasie, wat zij wel bracht was, dat we weer orders kregen het gebouw te verlaten.

    Dit echter niet, alvorens alles weer in orde te hebben gebracht en het gebouw zo veel mogelijk weer te hebben schoongemaakt om het weer in behoorlijke staat af te leveren. Daarop hebben wij ons weer verzameld om gezamenlijk naar een in de nabijheid gelegen rijksweg te marcheren, waar een onafzienbare rij militaire troepenauto's klaar stond teneinde ons weer op de oude plaats van legering terug te brengen.

*

5  December 1939. Voetbalwedstrijd tussen II-4R.I. - III-2R.A. : 6-0.

*

Omdat op 9 januari 1940 het vierde regiment haar 126 jarig bestaan vierde, werd op 8 januari in Leiden een plechtige taptoe gehouden door de vrijwillige muziekkorpsen van het 1e en van het 2e Bataljon, de tamboers van het regiment en de trompetters van III-2R.A., en van het 1e Eskadron Wielrijders. Een aantal muziekinstrumenten werden eerder door de gemeente Leiden aan 4R.I. geschonken Op de verjaardag zelf werd voor het gemeentehuis te Katwijk gedefileerd voor de divisiecommandant en andere autoriteiten, welk defilé, waaraan een mars

 image-1 13 maart 1940. MC-II-4R.I. op oefening.

Het welkom in Noordwijk is uitermate warm, vooral de middenstand wreef zich in de handen. Dat was wel nodig, want hóe arm een deel van de bevolking was, is te lezen in de aantekeningen van de politierapporten van die dagen. Er werd namens de armenzorg van de Nederlands hervormde kerk restanten eten bij de militaire verblijven opgehaald. Dan volgt een aangifte, dat een man, die zich Baksteen noemt, probeert resten brood bij de militaire onderdelen op te halen met een vals briefje, zogenaamd ondertekend door een ouderling.
"s Morgensom zes uur ", zei mijn vader,

  • "'werd het verse brood door de plaatselijke bakker afgeleverd en aan de overkant van de school woonde een arm gezin met vijf of zes kinderen. Dan brak ik een aantal broden doormidden en bracht deze naar de overkant. Dat was het enige wat ik kon doen want bij de rest van het eten kon ik niet bij."

In vrijwel elke plaats werden, afhankelijk van het geloof,  militaire tehuizen geopend. Zoals aan de Julianaweg, de villa Maja, een bollenschuur in de Pickéstraat. Een grote houten loods werd opgetrokken op de plaats, waar nu de bank aan de Zeestraat staat.
Een belangrijk aandeel in deze werkzaamheden hadden de reg. aalmoezenier pater J. de Boer en veldprediker van der Staay.

De jaarlijkse revue van de Noordwijkse Redding Brigade in januari 1940 stond in het teken van de bekende soldatenliedjes als "Rats, kuch en bonen". En af en toe moest er een politiek sneer door (al was men daar toch voorzichtig mee; de teksten werden zelfs vooraf door het gemeentebestuur gecontroleerd) zoals in de volgende conversatie tussen de hoofdpersonen Flip en Flap. 

  • Flip: Eigenlijk heeft de diplomatie afgedaan. Tegenwoordig gaat dat anders, Bij voorbeeld: ik stuur jou een boodschap om bij me te komen en dan zeg ik: jij hebt een aardig huis en een mooie tuin en nog wat op de spaarbank. Dat wil ik allemaal hebben. Hier ligt een kontrakkie; teken maar effies anders sla ik je hersens in en steekje huis in brand.
    Flap: Maar, dat is toch geen manier. Dat zijn roversmanieren. Dat is... 
    Flip: Ssst ... zeg maar niks. Blijf maar neutraal.

*

Op 22 januari had het regiment haar eerste dode te betreuren. Bij een schietoefening in het schieten op luchtdoelen werd de soldaat J. van Duyvenbode te Katwijk ten gevolge van het breken van een kordonbeugel in het hoofd door een kogel getroffen en gedood. De 26e werd hij onder grote deelneming met militaire eer in zijn woonplaats Katwijk ter aarde besteld waarbij C.-4R.I. de minister van Defensie vertegenwoordigde.

Op 3 maart kreeg Adjudant K.M. de Jager de medaille voor 40 jaar dienst bij de landmacht.

*

Foto boven. Op 1 april werd in de morgen op het veld de Vossenfarm te Noordwijk 2e Lt.S.J.M de Jong (sc2-3-II-4R.I).beëdigd.

Begin april kwam koningin Wilhelmina om een defilé af te nemen van de in Noordwijk en Katwijk gelegerde onderdelen. - "Op een zonnige morgen", schreef pater de Boer;

  • stond ons regiment opgesteld op de Noord Boulevard bij de vuurtoren. H.M. de Koningin kwam ons regiment inspecteren, ook de zielzorg. Het bevel weerklonk en ofschoon ik meer gewoon was kniebuigingen te maken en de handen te vouwen, sloeg ik nu met armen en benen en keerde op het gegeven moment het hoofd links, om zo voorbij Hare Majesteit te defileren. Deze stond ook in het "veldgrijs" bij de Seinpost.

Café-restaurant "de Seinpost" midden rechts.
Overste H.D. Buurman meldt zich bij H.M. de Koningin.

Op 13 april om 22.00 uur werd het bevel ontvangen tot het innemen van opstellingen, hetgeen onverwijld en naar voldoening geschiedde. De volgende dag konden de troepen, toen het gevaar was geweken, weder inrukken. Het was gebleken, dat die nacht een vreemde transportvloot op de Noordzee stoomde waarvan de intenties niet duidelijk waren.
Pater J. de Boer van 4R.I. ; 

  • Begin april (13 april) , op een zaterdagavond half twaalf, werd er alarm geblazen. Telegram W.B. (Westfront Bezetten) was geopend. Heel Noordwijk was in rep en roer; de soldaten waren zenuwachtig en de bevolking uit de eerste slaap gewekt, was bezorgd en nieuwsgierig. Het miezerige weer maakte de maat vol en de zielzorgwagen was aan de zwier. Wij moesten naar Wassenaar; een vrachtwagen bracht mij er heen. Daar aangekomen, heb ik de Zusters van Oirschot uit bed getrommeld, want haar scholen moesten worden ontruimd. Daarna zou een der soldaten mij naar de pastorie brengen. Vóór ze daar de deur open deden, kon je gemakkelijk ziek, dood en begraven zijn. Per slot van rekening werd ik niet eens ontvangen. We probeerden toen onderdak te krijgen bij een slager, die na een drukke zaterdagavond al diep in slaap lag. Hij zou de aalmoezenier wel herbergen. Ik rustte er wat uit.
    's Morgens hoorden we, dat de "oefening" naar wens was geslaagd was en dat we naar Noordwijk terug konden. Ik had het gevoel alsof ik Stille Omgang had gemaakt.

*

Verschillende eenheden werden gealarmeerd tijdens W.B. en marcheerden naar hun alarmkwartieren en een dag later weer terug. Het alarm was niet bekend geworden maar tijdens de terugtocht werden zij gade geslagen.....

Waarschijnlijk Gen.Lt. Wenninger, de Luchtvaart attaché van de Duitse ambassade, meldde deze terugtocht via zijn kanalen aan de Abwehr (Militaire Inl. dienst) die dit weer doorgaf aan de 22e Inf. Divisie die bij Valkenburg zou moeten landen. [28]

 

 
Abschrift von mil.Att.???. 41/40g.  Anl.1 von 15-04-40
Luft.Att. Den Haag.

  • In de loop van 13 en 15 april werd in de dorpen Katwijk aan de Rijn, Katwijk aan zee, Noordwijk en Noordwijk aan Zee alarm gegeven voor de troepen 4R.I., wielrijdertroepen, 2R.A. en de kustartillerie. Vastgesteld werd tijdens de mars op 14 april van Wassenaar naar Noordwijk :

    1. 6 Batterijen en manschappen van 4R.I.waren op een vrachtwagen geladen. Vastgesteld was dat deze in Noordwijk aan Zee  hun kwartier hadden.

    2. Tussen 11.00 en 12.00 uur is ook vastgesteld dat een bespande gevechtsbatterij van 2R.A. (Houwitsers Krupp 12 cm en 4 munitiewagens) op weg naar hun kwartier in Katwijk of Noordwijk.

    3. Op 14 april om 13.00 uur vastgesteld dat 1 wielrijdercompagnie op weg van Moerdijk naar Katwijk aan Zee. Nog niet gecontroleerde berichten dat er meerdere grote wielrijderseenheden zich bevinden in de 4 gemeenten.

  • Het infanteriegeschut van 4R.I. en 2R.A. marcheerden in een colonne. Manschappen en paarden waren moe en schenen een lange mars achter zich te hebben. Mars discipline was slecht. Doordat beide eenheden in dubbelcolonne marcheerden raakten de eenheden door elkaar en versperden de straten. Een gemotoriseerde verkeersagent ordende de troepen. 
    Verschillende bronnen stelden vast dat in de gemeenten Noordwijk, Noordwijk aan Zee, Katwijk aan Zee en Katwijk aan de Rijn infanterie van 4R.I. gelegerd is, sterkte ongeveer 2 compagnieën, en pantserafweergeschut. Legering in Valkenburg is nog niet vastgesteld. 

 

*

 

Het aantal werkelozen in Noordwijk daalde als gevolg van het oproepen van dienstplichtigen en door het aantrekken van arbeidskrachten voor de aanleg van het vliegveld en andere verdedigingswerken. Ondanks de armoe werd er voor de arme Finnen, welke overvallen waren door de Russen, een inzamelingsactie gehouden die fl 1000,- opleverde.

Overste Buurman schreef later in het blad van de "Vereniging van Oud-Strijders van 4R.I." het volgende over de sfeer bij 4R.I.

  • Officieren, onderofficieren en soldaten kenden elkaar vrijwel allen, zij vormden een muur, terwijl men in 1939 slechts een wal had opgeworpen. De regimentscommandant bevorderde dus het oprichten van cantines, militaire tehuizen en militaire verenigingen. Eens per week kwamen de officieren bijeen en met de officieren van de in hetzelfde kantonnement liggende afdeling houwitsers werd zeer vriendschappelijk omgegaan.

 

Tenslotte werd bij Koninklijk besluit van 19 april ook het grondgebied van Noordwijk in Staat van Beleg verklaard. Het burgerlijk bestuur stond van toen af onder het militaire gezag.

Aan de vooravond van de verjaardag van H.K.H. Prinses Juliana werden wederom te Katwijk en Noordwijk aan Zee plechtige taptoes gehouden, op de dag zelf werd bij afwezigheid van de Regiment Commandant gedefileerd voor de Bataljons Commandanten.

Op 1 Mei 1940, bracht het muziekkorps van 4 R.I. voor de woning van Majoor Dürst Britt het lied van de Veldartillerie ten gehore ter gelegenheid van het 64-jarig bestaan van 2 R.A.

Sgt van Hartingsveldt (C.1-2S-MC-II-4R.I.) te Noordwijk;

  • Zo bleef de spanning die laatste weken van april toenemen en dit alles werkte op de geesten in, terwijl wij anderzijds eigenlijk erg zorgeloos waren.

    Een tekenend bewijs hiervan waren wel de reacties van onze afdelingswachten, die op de verschillende in de omgeving gelegen terreinen waren gepost en waarvan er een, door mij in de eerste dagen van mei betrokken, hier nader omschreven, volgt.

    Het was zaterdag 4 mei, dat mij voor de zoveelste maal een politiewacht te beurt viel. Als korporaal van aflossing waren twee van mijn collega's en mijn persoon weer de taak opgedragen die avond om vijf uur na aflossing van de wacht op de plaats voor het wachtlokaal de nieuwe schildwachten uit te zetten en deze als gewoonlijk voor de eerstvolgende 24 uur om de twee uur te verwisselen. Nader ingaande op de wachtploeg bestond deze uit 18 manschappen, 3 korporaals en een sergeant-onderofficier als wachtcommandant. Door omstandigheden en te meer de noodzaak gevoelende troffen we een zeer bijzonder op elkaar aangewezen wachtploeg waaronder een onzer sergeants, een zeer gewilde persoonlijkheid en de korporaals Boonstopper, Berkhemer en mijn persoon, die lang reeds dag in dag uit met elkaar de dienstwerkzaamheden deelden. Met de overige 18 manschappen waaronder zich gelukkig geen zeurpiet of mopperaar bevond, zou de wacht een gezellig en toch vlot verloop kunnen hebben.

    Toen dan ook eenmaal de aflossing achter de rug was en we ook reeds enkele malen onze op volgorde volgende wachten op de voor hen bestemde posten hadden uitgezet, ging het in de loop van de avond zonder enige strubbeling of enig nieuws, dat eventueel van de posten zou hebben kunnen binnenkomen. Zij die op de post stonden handelden naar hun consignes en zij die vrij van post waren, deden aan een of andere bezigheid voor tijdverdrijf in het wachtlokaal. Anderen weer, die wat van de buitenlucht wilden genieten, stonden aan het hek van het schoolplein de bewegingen van de spelende jeugd van het dorp en de voorbijwandelende mensen gade te slaan, tot ook hun beurt van wachtkloppen kwam. Nog weer anderen hadden een plaats gevonden langs onze keuken die heel aardig door wat timmerlieden van de compagnie op de binnenplaats van ons bivak was opgebouwd. Elke dag werden hier onze thee- en koffiegamellen, de welbekende melkbussen met aftap geplaatst, om na de gamellenwas nog wat uit te lekken. Vanzelf werd hiervan dan ook gebruik gemaakt als zetel. Hier gaf de ondergaande zon gedurende de laatste ogenblikken van de dag aan dit plekje nog een aangename warme en gezellige sfeer. Verder ontbrak het aan enige afleiding in het geheel niet, we rookten ons sigaretje, spraken nog wat over het een en ander en zagen nu en dan eens dorpsbekenden voorbijgaan, die we soms voor enig tijdverdrijf een ogenblik aan de praat hielden, al ging dat dan op wat gevangenismanier met het plein hek tussenbeide. Had de sigarenhandelaar, die altijd met een bakfiets vol rookartikelen aanwezig was, ons aan wat rokertjes geholpen, dan was de ijsboer weer goed en gaf die ons op verzoek een wafeltje voor de dorst. 
        
    Als de radio het tijdsein van acht uur gaf, dan was alles voor enkele ogenblikken stil, elke avond weer, vooral in die omstandigheden, dat ons land rondom in oorlogsgevaar verkeerde en elke beweging van onze naaste buren, nu in het bijzonder, werd nagegaan, werden de oren gespitst om van het A.N.P. de nieuwsberichten te volgen en weer de nieuwe handelingen, redevoeringen of het oorlogsgebeuren, dat in de onmiddellijke nabijheid van ons land voordeed te vernemen en waarvan het nieuws zich over de gehele wereld verspreidde. Er werd steeds aandachtig geluisterd en ook nu weer konden we berichten horen als Jobsboden gelijk en die voor de oorlogvoerenden nog grotere verwijdering betekenden dan ooit te voren. Nieuwe redevoeringen van staatsvoornamen van beide landen die ons het naburigst waren bleken, dat nog vijandiger standpunten jegens elkaar werden ingenomen en zelfs de toestand der neutrale landen, waarvan wij tenslotte er ook een waren en wensten te blijven voor zover de oorlogshandelingen buiten onze gebiedsgrenzen zich zouden afspelen, verslechterde. Zeer kritiek moest wel de toestand worden aangezien. Zou ons ook een dergelijk gruwel, zoals zich afspeelt in de landen rondom ons, boven het hoofd hangen? Neen, dat kon niet. En toch, al bleek een oorlog voor Nederland haast een onmogelijkheid wat onze neutraliteit betrof, die wij toch tot op dat ogenblik hadden kunnen houden op zeer bijzondere wijze, tot voorbeeld van hoeveel andere landen, waren de vooruitzichten ook voor ons wel heel donker en wel te meer daar de situatie van ons betrekkelijk klein gebied zich aan alle zijden wakker en afwachtend klaar moest houden tegenover grotere en machtiger naties, die al geruime tijd angstvallig om ons heen hun oorlogshandelingen verrichtten. Geruime tijd werd ook hierover onderling gesproken, hetwelk er ook toe bijdroeg, dat de avond sneller dan verwacht voorbijging. Het was al donker, aan het pleinhek stond natuurlijk niemand meer, de mensen waren thuis, wellicht sommigen naar bed, de militairen hadden het schoolplein verlaten en bevonden zich binnen bij of op hun strozak, de wacht waakte en hield zich op in het wachtlokaal.

    Alles was rustig, De nachtelijk stilte was ingegaan.

*

Op 4 mei kwam er weer hoog bezoek in Noordwijk. Deze keer was het  prinses Juliana en prins Bernhard die een kijkje kwamen nemen bij de bloemenfeesten. Uit de monden van mitrailleurs staken tulpen en de kanonnen waren versierd met narcissen. Er heerste zo te zien een zorgeloze sfeer.

image-1 Huis ter Duin. Prins Bernhard onderhoudt zich met officieren van 4R.I.

  • MC-II-4R.I. had voor de r.k. Jongensschool waarin zij gelegerd waren een bloemenmozaïek gemaakt met de tekst "Nederland let op u saeck"

  • Manschappen van 4C.Mv.8 hadden een MWOgemaakt van bloemen.

Overste Buurman: [25]

  • Den 7en Mei waren de verloven andermaal ingetrokken, derhalve werd alles in gereedheid gebracht om binnen vier uur af te marcheeren. Voertuigen werden gepakt en de munitie werd uitgegeven. Ditmaal maakte de getroffen maatregelen den indruk, dat de toestand ernstiger was dan bij vorige gelegenheden. Twee dagen daarna, 9 Mei, werd echter bericht ontvangen, dat uitzonderingsverloven wegens ziekte of sterfgeval wederom konden verleend, zoodat men reeds hoopte op een ontspanning in den toestand. Dien dag werd tevens te Noordwijk het badseizoen geopend, waartoe een feest was georganiseerd in het Hotel Huis ter Duin,  waaraan ook enkele officieren van het kantonnement deelnamen. In den nacht naar huis gaande, ontmoetten enkelen van hen een officier van de 4e Gr. Comp., die hun mededeelde, dat deze compagnie gealarmeerd was, doch aangezien dit meermalen het geval was geweest was, ging elk zijns weegs....

De 4e Res. Grens Compagnie te Noordwijk had namelijk een radioverbinding die 24 uur per dag uitgeluisterd moest worden.

Seizoenkaart Huis ter Duin, Op 8 mei uitgereikt aan Kapt. van Zwijndregt.. [45]

Op negen mei gaf de commandant van het bewakingsdetachement van het vliegveld opdracht alle lichte mitrailleurs, dus ook die van de reserve, in de gevechtsopstellingen te plaatsen zodat de indringers een dubbel portie zouden krijgen.

Frappant is dat op 17 mei er in Noordwijk een ander regiment infanterie arriveerde. Ook het vierde regiment infanterie ( SS Totenkopfregiment 4.).[50] Maar nu van een heel andere nationaliteit. 

**

 

Wassenaar.

In Wassenaar kwam, zoals in het Voorspel aangehaald, enige maanden na 11 april 1939, ook een klein detachement van de 4e Reserve Grens Compagnie aan welke in januari 1940 onder commando van de res lt. Gompelman kwam te staan. 
Het detachement werd gelegerd in hotel Duinoord aan de Wassenaarse Slag en vormde slechts de zogenaamde veiligheidsbezetting, welke tot taak had, in samenwerking met de rechtstreeks onder de Commandant Vesting Holland (C.Vg-H.) geplaatste marinekustwacht en maritieme verkenningsorganen, een dreigende vijandelijke landing tijdig te onderkennen en te melden, en met zwakke krachten ondernomen acties tegen belangrijke kustobjecten af te wijzen. Voor een krachtige verdediging van de kust zouden het 1e legerkorps en delen van het Veldleger worden ingezet.

Reserve-luitenant ,G. Gompelman, C.-4 Res. G.C.; [24]

  • In januari 1940 werd ik naar het Wassenaarse Slag gezonden, waar sinds augustus 1939 een deel van onze compagnie was gelegerd. Gezien de eenzame ligging, die een enkele variatie bood, moest deze nodig worden afgelost en viel mij de dubieuze eer te beurt die taak over te nemen. Mijn manschappen werden voorlopig op de zolder van het hotel Duinoord gelegerd terwijl ik daar een kamer huurde die ik samen met mijn vrouw betrok. De werkzaamheden, gestart door mijn voorganger, werden voortgezet, zoals het verbeteren van de drie stellingen, geconstrueerd zoals die van de geallieerden en Duitsers in de Eerste Wereldoorlog, dus geen beton maar hout, velddienstoefeningen in de duinen en schietoefeningen op het voor burgers verboden strand. Onze lichte machinegeweren bleken in het zand volkomen onbruikbaar, maar dat was niet de enige tekortkoming. 
    Een verzoek van de Commandant Vesting Holland, hem te berichten op welke wijze ik dacht het strand te versperren tegen landende vijandelijke vliegtuigen, werd door mij beantwoord met het volgende plan. De stapels rondhout, opgeslagen op het achter ons liggend terrein van Staatsbosbeheer, rechtop in het zand slaan, vanaf de waterlijn tot aan de duinreep en wel om de vijftig meter. Ik ontving een telefonische boodschap van de Staf van Vesting Holland, dat dat een uitmuntend idee was en ik ontving daarbij de opdracht, onmiddellijk met de werkzaamheden te beginnen. Dus werden mijn soldaten direct aan het werk gezet om de boomstammen van het terrein van Staatsbosbeheer weg te slepen en in het zand te slaan. Ze waren er nauwelijks mee van start gegaan of ik kreeg bezoek van een in groen uniform geklede man, die mij meedeelde van Staatsbosbeheer te zijn. Hij zei op een erg scherpe en onvriendelijke toon: "Wat doet u daar, weet u dat dat rijkseigendom is?" Ik antwoordde hem dat ik toevallig ook rijkseigendom was en liet hem daar alleen staan. Mijn manschappen zetten hun werkzaamheden voort en ik werd door mijn ordonnans aan de telefoon geroepen, die zich in de intussen gebouwde barak bevond. Wie zal ooit mijn verbazing kunnen schetsen toen ik aan de andere zijde van die lijn te horen kreeg dat ik met de adjudant van de Commandant Vesting Holland sprak, die mij namens de generaal Van Andel meedeelde, dat ik onmiddellijk met het slaan van de palen moest stoppen en het rondhout weer terugbrengen waar het vandaan kwam. Staatsbosbeheer nam er geen genoegen mee, zo vernam ik. Nederland op zijn smalst. De soldaten, zeer verontwaardigd over het gebeurde, sleepten onder veel gemopper de balken weer terug.' Vier maanden later zouden tientallen Duitse Junkers transportvliegtuigen juist dit strand als landingsterrein gebruiken ...

*

 

Depottroepen.

(Het Pesthuis, een gebouw uit de 17e eeuw, was sedert 1925 buiten gebruik. In 1939 werd het in gebruik genomen door het Nederlandse leger, dat er een compagnie van de Intendance in huisvestte.)In onderzoek

Depottroepen welke te Leiden gelegerd waren bestonden uit rekruten van twee lichtingen:

Lichting 1940/I  opkomstdatum 23-10-1939
Lichting 1940/II opkomstdatum  05-02-1940

De Depot Troepen kwamen voort uit hun respectievelijke regimenten. Te weten:

  1. 10e Depot Bataljon uit 10 R.I.

  2. 15e Depot Bataljon uit 15 R.I.

  3. 22e Depot Bataljon uit 22 R.I.

De rekruten van de lichting 1940/I  (opkomstdatum  23-10-1939), waren enigszins geoefend en gedeeltelijk werden zij ingedeeld in z.g Depot Compagnie Bewakings Troepen (Dep. C.B.T.). Rekruten van de lichting 1940/II (opkomstdatum  05-02-1940) mochten niet ingezet worden voor gevechtsfuncties.
E.e.a. wordt op de pagina Dep.C.B.T. uit de doeken gedaan.

In de Leidse Doelenkazerne lag een garnizoen dat bestond uit het II Depot Infanterie en de staf van het IV Depot Bereden Artillerie. De rekruten die hier gelegerd waren, zijn voor een deel nog ongeoefend, de meesten hadden nog nooit een geweer in handen gehad.

>Het bureau van C.-II Dep. Inf., van een cp. kon niet gesproken worden, er waren geen commandogroepen ingedeeld, was gevestigd in het voormalige hospitaal aan de Morschweg 1.

Vóór de mobilisatie had het 6e Regiment Artillerie in de Doelenkazerne haar thuisbasis.

Naar aanleiding van de "Verhoogde graad van strijdvaardigheid", werden op 8 mei de navolgende depottroepen achter de waterlinie in de Vesting Holland verplaatst;

  • Instructiebatterij 7- veld onder commando van Kapitein C. Tonnet.

  • Het 15e Depot Bataljon uit Breda onder Majoor A. van Weenen.

Het 15e Depot Bataljon werd gelegerd in de kleuterschool aan de Middelste Gracht Nr. 5 en de Instructiebatterij 7-veld in Oegstgeest.

Het 22e Depot Bataljon onder commando van majoor Mulder (C.-22 Dep.Bat.) uit Ede was al sinds het begin der mobilisatie gehuisvest in de Morschpoortkazerne te Leiden.

De legering van 6-10 Dep.Bat. was in de Lusthoflaan 2 te Leiden.

Op 7 mei 1940 te 17.00 uur werd de "verscherpte bewaking binnenland" bevolen. 4-22 Dep. Bat. werd 22 Dep. CBT en kwam onder bevel van C.-Wf.-Vg-H..
22 Dep. CBT (min. 1 sectie, totaal 96 man) met dienstplichtigen die slechts drie maanden onder de wapenen waren, werd onder commando van kapitein Boot, twee luitenants en een vaandrig op 7 mei uit Leiden naar het hulpvliegveld Ockenburg gedirigeerd. De bewapening bestond slechts uit 4 lichte mitrailleurs.
Deze slecht bewapende rekruten hielden op moedige wijze uren stand tegen de uitstekend bewapende Duitse overvallers van Ockenburg. 24 lieten hierbij het leven en er waren 18 gewonden te betreuren. 
De 4e sectie dezer Compagnie werd naar Wassenaar gezonden om aldaar de telefooncentrale te bewaken en te beveiligen.

In de Wittepoortkazerne, de Oude Doelenkazerne, de Nieuwe Doelenkazerne en het Nutsgebouw waren met de mobilisatie van 1939 militairen gelegerd van 5-IV Depot Bereden Artillerie onder de reserve majoor M. Welle.

 

Oegstgeest.

In Oegstgeest arriveerde met de voormobilisatie op 25 augustus een afdeling van het 5e Regiment Veld Artillerie en welke werd gelegerd in Duinzicht. Met de mobilisatie werden de opkomende militairen van de Depot Afdeling gelegerd in de Terweeschool. De 1e Depot Afdeling werd grotendeels ondergebracht in Oud Poelgeest alwaar de vader van Jan Wolkers de kantine beheerde. Binnen enkele dagen werden er 2000 man ingekwartierd. 
In het Patronaatgebouw, wat dienst deed als militair tehuis, werden regelmatig ontspanningsavonden georganiseerd. 
Commandant was Kapitein (later Majoor) ir. W.W.E. von Hemert, die eerst zijn kwartier had aan de Warmonderweg 12, terwijl in het pand Prins Bernhardlaan 53 het Afdelingsbureau gevestigd werd.

 

Voorschoten.

Vanwege de toegenomen dreiging van Hitler, werd op 29 augustus 1939 in Nederland de algemene mobilisatie afgekondigd. Het Ministerie van Oorlog vorderde in Voorschoten 2,5 ha terrein bij boerderij ‘De Lindehoeve’ van Cornelis Nell en Anna Jacoba Rijlaarsdam, de ouders van Jac. Nell.

Op het gevorderde terrein werden houten barakken geplaatst voor het inkwartieren van de Nederlandse soldaten. De barakken waren in december 1939 gereed voor legering. Al vóór de oplevering van de barakken werden veel gemobiliseerde soldaten in diverse boerderij in Voorschoten ingekwartierd, waaronder in De Lindehoeve. Het betrof niet alleen soldaten die behoorden tot het Depot Veld artillerie uit Leiden, maar ook hun paarden kregen hier onderdak.

In die barakken werd tijdens de mobilisatie het II Depot Bereden Artillerie gelegerd. Het betrof hier 4 en 8 Dep.B.A.. De officieren werden bij burgers ingekwartierd.

De soldaten werden ook gelegerd in het nabijgelegen klooster Huize Bijdorp, in het gebouw voor Christelijke Belangen aan de Wijngaardenlaan en in half afgebouwde woningen in de omgeving van de Willem de Zwijgerlaan. Zowel de kanonnen als de paarden waren oud. Officieren reden veelal hun eigen paarden. Enige schietoefeningen vonden in de mobilisatie plaats op het schietterrein bij Katwijk.

Met het uitbreken van de oorlog had niet iedere soldaat een geweer. Zware mitrailleurs waren niet aanwezig. Men beschikte over drie á vier lichte mtr. M20. Voor instructie doeleinden waren er twee 8 st. en twee 12 L. st. aanwezig met zeer beperkte munitie.

Aan de Schoolstraat werd op 12 september een Christelijk Militair Tehuis geopend. Volgens een krantenbericht hierover werden de manschappen door overste Bourree, kapt. Ter Molen en burgemeester M.F. Berkhout welkom geheten.

Aan de Hoge Rijndijk te Voorschoten, thans gemeente Leiden, was in de boerderij Kings-Farm de remonte afdeling van het IIe Depot B.A. gevestigd.

*

 

Het hoofdkwartier.

Vanaf de eerste dagen van mei nam de spanning verder toe. De gevechtsgereedheid van bepaalde onderdelen werd verhoogd, inundaties verder voorbereid. 

De militaire indicaties op 6 mei, aangegeven op de kaart in de werkkamer van Sas, waren verre van geruststellend. Zij toonden de volgende dislocatie van de Duitse troepen langs de Nederlandse en Belgische grens: [19]

  • van de Noordzee tot Emmerik 10 divisies

  • van Kleef tot Roermond 9 divisies

  • van Roermond tot Malmédy 28 á 29 divisies

  • van Malmédy tot de Moezel 36 á 37 divisies.

Dat betekende een concentratie van ongeveer 73 Duitse divisies op het vermoedelijke front van Kleef tot de Moezel!

Op 6 mei waarschuwde majoor Sas vanuit Berlijn voor een mogelijke aanval op 8 mei, 

  • Duitse troepen stonden in hun uitgangsstellingen en konden binnen twaalf uur, wanneer het definitieve bevel gegeven werd, tot de aanval overgaan. 

Op 7 mei volgde van hem een bericht dat de aanval een dag was uitgesteld. 

Omstreek 12.00 uur sloeg de GS IIIA groot alarm. Het stond vast dat een aanval zeer binnenkort zou geschieden, mogelijk uitgesteld werd omdat de weersomstandigheden het niet toelieten. Verloven werden weer ingetrokken hetgeen weer danige ongerustheid in het land wekte. Generaal Winkelman gaf om 20.00 uur de opdracht tot "Verscherpte bewaking binnenland." 
Aan de pers in Den Haag werd evenwel te verstaan gegeven:

  • Het betreft hier een normale voorzorgsmaatregel, uiterste waakzaamheid is nodig, ook al bestaat er niet in het bijzonder een dreiging ten aanzien van ons land!

Een dwaze geruststelling bij een oproep tot uiterste waakzaamheid. De burger mocht niet weten hoe de vork in de steel zat - anders zouden zij zich maar ongerust maken.
Van de andere voorzorgsmaatregelen merkte het publiek weinig. Het waren er vele.
Binnen de Vesting Holland werden uit de troepen die in de depots werden opgeleid, de bewakingscompagnieën (Dep. CBT) gevormd. 

Overste Buurman, C.-4R.I.

  • Den 7en Mei waren de verloven andermaal ingetrokken, derhalve werd alles in gereedheid gebracht om binnen vier uur af te marcheeren. Voertuigen werden gepakt en de munitie werd uitgegeven.

Op 7 mei kreeg de commandant van het 1e Regiment Huzaren Motorrijder (C.-1 R.H.M.) opdracht met ingang van 8 mei de grote rijkswegen vanuit Den Haag naar Amsterdam, Utrecht en Rotterdam van voor zonsopgang tot na zonsondergang met een eskadron huzaren-motorrijder en twee secties zware mitrailleurs in een zeer verspreide opstelling tegen vijandelijke luchtlandingen te bewaken. 

Bij de staf van 1RHM was wel duidelijk wie de toekomstige tegenstander zou zijn. 

Tonny van Renterghem, C.-2-2-1RHM, [24]

  • Alhoewel het nog vrede was, had de overste jhr. Teding van Berkhout ons enige dagen tevoren bijeen geroepen. Hij vertrouwde de toestand niet. Er waren geheime inlichtingen en rapporten over een komende invasie en parachutistenlandingen in de omgeving van Wassenaar. Andere Nederlandse commandanten hadden weinig aandacht besteed aan deze geruchten aangezien dit zo ongeveer de 12e soortgelijke waarschuwing in een half jaar was. Die dag drong Teding van Berkhout er echter op aan het gehele regiment volledig van scherpe munitie en handgranaten te voorzien en beval ons allen die avond volledig gekleed bed te gaan.

Huzaar J. van der Zon, 3-2-1RHM, in een botenhuis aan de Princehaven in Wassenaar: [38]

  • Toch had onze overste van ons wapen van het eerste Regiment, luitenant-kolonel Jhr. Mr. Teding van Berkhout, ons zo’n veertien dagen van tevoren al gewaarschuwd, "ik zal geen namen noemen, maar de buren komen en daar gaan we ons de komende weken op instellen."

 

Op 8 mei gaf C.-2-1RHM de volgende opdracht aan zijn Eskadron: [86]

 

1e REGIMENT HUZAREN MOTORRIJDER
2e Eskadron.
-----------------------------

D i e n s t voor Donderdag 9 mei 1940.

0.30-  Reveille.
1.15-v  Uitrukken. Opstellingen innemen voor zonsopgang.
1e peloton onder 1e Lt. Maris snelweg 's Gravenhage - Rotterdam en omstreken vliegveld Ypenburg.
2e peloton onder Kornet van Renterghem snelweg 's Gravenhage - Amsterdam en omstreken vliegvelden Schiphol en Valkenburg.
3e peloton onder de Wmr. Gernaat snelweg 's Gravenhage - Utrecht.
Munitie auto en trein in het Haagsche Bosch.
Esk. Co. en Co.groep blijft in Wassenaar.
Keukenauto zal langs de opstellingen rijden om het middageten te brengen.
Vreemde vliegtuigen, landingstroepen en parachutisten onmiddellijk onder vuur nemen.
Per peloton één kist handgranaten uitreiken, per groep één kist munitie in zijspan mee. wapens en mitr. geladen doch op veilig gesteld.
Na zonsondergang inrukken.

VELDLEGER, 8 mei 1940.
De Ritmeester,
Commandant van het Eskadron,

 

*

 

Tengevolge van de verscherping van de toestand werd de oprichting van de bewakingscompagnieën enkele dagen vervroegd en kreeg de 22e Dep. CBT, onder bevel van den reserve-kapitein der Infanterie Mr. P. J. A. Boot, op 7 Mei te ± 19.00 bevel zich voor vertrek gereed te maken, zich naar het vliegveld Ockenburg te begeven, de zich daar bevindende twee Sn. zware mitrailleurs van R.Gr. af te lossen en de bewaking van het vliegveld op zich te nemen. 
De compagnie werd per trein van Leiden naar 's-Gravenhage vervoerd en vervolgens met bussen van de Westlandsche Stoomtram Maatschappij naar het vliegveld Ockenburg, waar zij op 8 Mei te ± 01.00 aankwam ; onmiddellijk na aankomst werden de beide sectiën zware mitrailleurs van I-R.Gr. afgelost en de bewaking van het vliegveld overgenomen. 
De bewapening van 22 Dep CBT bestond slechts uit 4 lichte mitrailleurs. [3]

Er werd gelast dat de bewakingstroepen op vliegparken en vliegvelden op 8 mei van één uur vóór zonsopgang tot 09.00 uur in de hoogste graad van strijdvaardigheid moesten zijn. Zo ook dus voor de delen van het vierde regiment op vliegveld Valkenburg. Op 8 mei werd dit veranderd in; van 03.15 tot 08.00 uur.

 

*

Den Haag, 8 mei.

Als gevolg van de op 7 mei genomen maatregelen werden de nog buiten de Vesting Holland aanwezige depots naar binnen de Vesting Holland verplaatst. De Instructiebatterij 7 Veld (III-Dep.B.A.) verplaatste zich van Breda naar Oegstgeest en het 15e Depot Bataljon verplaatste zich vanuit Breda naar Leiden.
 
Uit de berichten waarmee de KLM vlieger Evert van Dijk een week na de Duitse overval op Noorwegen teruggekeerd was uit Oslo, had men geconcludeerd dat de Duitse Junkers transporttoestellen met vrij geringe snelheid op een klein oppervlak kon landen. In aller haast, men was er nog niet toe gekomen werden de auto's van de 1e, 2e en 3e Compagnie van I Auto.Bat. verspreid opgesteld op de grote wegen 's Gravenhage - Amsterdam, 's Gravenhage - Gouda en 's Gravenhage - Delft. Tevens werd in samenwerking met burgerlijke instanties op de grote autowegen in het westen des lands versperringen geplaatst. [9][37]

De 8e mei ging zonder verdere incidenten voorbij.

*

Berlijn, 8 mei. 

De rijkskanselier en opperbevelhebber van de Wehrmacht besliste in al zijn wijsheid dat Fall Gelb op 10 mei zou plaatsvinden.

Het intrekken van de verloven in Nederland werd publiekelijk aangekondigd en van de voorzorgsmaatregelen konden verscheidene niet onopgemerkt blijven: men denke aan de versperringen van de autowegen welke woensdagochtend 8 mei een feit was. Die dag kon de Duitse militairattaché generaal Wenninger een codetelegram naar Berlijn seinen waarin hij berichtte dat men in Den Haag het Binnenhof met omgeving had afgezet, zo ook de weg bij Ypenburg en de toegang tot het Huis ten Bosch waar de Koningin verbleef. 
Later die dag kwam er in Berlijn een nog verontrustender telegram binnen:

  • Verdere waarnemingen: Op Schiphol alle vliegtuigen startklaar aan de rand van het vliegveld. Twee pantserwagens op de startbaan. Van Leiden tot Amsterdam elke 400 meter een vrachtwagen. Alle bruggen op de autoweg Amsterdam- Den Haag door militairen met machinegeweren bezet.

Daarop volgde, 's avonds om 7.27 uur Ned. tijd, nog een telegram:

  • Autowegen Amsterdam - Den Haag, Utrecht - Den Haag, Rotterdam - Den Haag versperd door vrachtwagens die op een afstand van 50 -100 meter midden op de autoweg zijn geplaatst. Vrachtwagens bemand. Alle bruggen op autowegen door machinegeweren beveiligd. Weg Den Haag - Rotterdam beveiligd door machinegeweren schietrichting Rotterdam.

Tot verbijstering van de Duitse generaal Bock (C.-Heeresgruppe B.) werden de militaire verloven in Nederland plotseling ingetrokken terwijl de Duitse troepen nog niets doorhadden van de naderende aanvalsdag. (...) "Waar halen zij toch hun inlichtingen vandaan?" schreef Bock in zijn dagboek.

Generaal Jodl die avond in zijn dagboek:

  • Alarmerende berichten uit Nederland. Verloven ingetrokken, evacuaties, wegversperringen, laatste mobilisatie-maatregelen; volgens mededelingen Abwehr zouden Engelsen verlof gevraagd hebben om binnen te rukken, de Nederlanders zouden dat hebben afgewezen. Volgens mededelingen zijn maatregelen van de Nederlanders ten dele tegen de kust gericht, ten dele tegen ons. Niet duidelijk is of Nederlanders met de Engelsen onder één hoedje spelen of dat zij werkelijk hun neutraliteit tegen de eerste aanvaller willen verdedigen.

Die consternatie in het O.K.W. drong ook door bij Oster van de Abwehr die majoor Sas weer inlichtte. Sas zond om 23.10 uur het navolgende naar Den Haag:

  • Aarzeling  en zenuwachtigheid in Rijkskanselarij en Opperbevel weermacht. Volgens gebruikelijke informant zou alles weer op losse schroeven staan.

Leutnant H. Teusen, C.-3-6./FJR2;

  • In de avond van 8 mei kwamen onze orders. De 9e hebben we ons voorbereid en de 10e gingen we, om 5.15 uur. In de avond van de 8e wisten we: de Westfeldzug begint. 

*

 

Berlijn, 9 mei.

Vanuit het Oberkommando der Wehrmacht te Berlijn ging op 9 mei een telegram uit naar de Duitse eenheden aan de westgrens van Duitsland.

  • Der Führer und Oberste Befehlshaber hat entschieden :

    • A-tag 10-5

    • X-zeit 5.35

Het tijdstip van Fall Gelb was door de nazi's vastgesteld. Ging het bevolen offensief door, dan zou in de avond het codewoord "Danzig" doorgeseind worden, ging het niet door vóór 19.50 uur Nederlandse tijd, het codewoord "Augsburg".

De ochtend verliep in Berlijn in volmaakte rust, zonder nieuwe ontwikkelingen. Het was een onwezenlijke anticlimax na de spanning van de voorgaande dagen, waardoor er in het gezantschap opnieuw onzekerheid begon te ontstaan of het offensief nu werkelijk zou losbranden. Maar in het begin van de middag kreeg Sas van zijn relatie het bericht, dat onmiddellijk werd doorgeseind; [19]

  • Hitler heeft vanmiddag de ontketening van het offensief over het hele front Nederland-België-Luxemburg vastgesteld voor 10 mei bij het aanbreken van de dag.
    Het bevel kan nog herroepen worden, maar niet later dan 21.00 uur ( Duitse tijd) vanavond.

*

A.H.K., 9 mei.

Om 11.20 kwam in Den Haag het gecodeerde bericht van de Berlijnse legatie binnen dat de Duitsers een inval voor 10 mei hadden gepland, met het voorbehoud dat om 19.20 uur de definitieve beslissing zou worden genomen.

In de loop van de dag kwamen op het Algemeen Hoofdkwartier berichten binnen over troepenbewegingen aan de Duitse kant van de grens, berichten die in de loop van de dag in aantal toenamen. Bovendien werd door de inlichtingendienst een telegram  onderschept dat in Amsterdam was aangeboden en bestemd was voor een Amerikaans dagblad, luidende; [10][27][84]

  •  Wise Willies whispering bewitching hour Friday dawn.

In klare taal : "Duitsers, die het kunnen weten vertellen dat het fatale uur vrijdag bij het aanbreken van de dag zal zijn".

De paraatheid aan de Nederlands-Duitse grens werd opgevoerd door het in de loop van die dag uitgegeven bevel "Verhoogde graad van strijdvaardigheid" tot nader order.

Om 17.30 uur ging buiten medeweten van de OLZ van het A.H.K. een telexbevel no. 3805 R uit, kennelijk mede doordat Sas meldde dat men op het O.K.W.  in verwarring was door de Nederlandse tegenmaatregelen, waarbij enige uitzonderingsverloven weer werden toegestaan. Het betrof hier slechts die verloven welke verband hielden met ernstige omstandigheden bij de naaste familie van de onder de wapens zijnde militairen. Dit bericht had, geheel ten onrechte, bij verschillende onderdelen, waar het uiteraard veel later aankwam, het gevoel gewekt, dat er enige ontspanning in de toestand was ingetreden. [37] Dit bevel werd door overste Buurman achtergehouden tot de volgende dag...[48]

Om 18.10 verstrekte C.-Vg.H. opdracht aan C.-W.Fr.-Vg.H. om de vliegvelden bij Vogelenzang, de Zilk en de Klei onverwijld te doen versperren en bewaken. Het bevel hiertoe was uitgegaan van de O.L.Z. (C.Lvd.). Hierop zond kapitein Onrust, C.-10 Dep. C.B.T., vanuit Leiden een sectie van zijn compagnie naar deze vliegparken die omstreeks 22.00 uur daar arriveerde.

Om 20.45 uur avonds ging bij het Algemeen Hoofdkwartier een telex uit; 

  • olz ahk afd. landmacht sectie rom.1.b no.35b van de grens komen zeer verontrustende berichten binnen. wees dus zeer op uw hoede. 9-5-'40 20.45 uur.

Het bericht was gericht aan alle bevelhebbers.
De detachementen bij de Moerdijkbruggen kregen deze waarschuwing niet. Op het Hoofdkwartier van de commandant  Vesting Holland werd het wel ontvangen maar Generaal Van Andel noch zijn chef-staf reageerden hierop. Voor het 1e Legerkorps en voor de troepen die onder de Commandant van de Vesting Holland (C.-Vg.-H.) vielen, waren over het algemeen op 9 mei dan ook geen bijzondere aanwijzingen aangaande de paraatheid gegeven.

*

 

Slotakte.

Berlijn, 9 mei, avond.

Tegen tien over acht 's avonds begeleidde Majoor Sas zijn vriend naar het Oberkommando der Wehrmacht in de Bendlerstraße. Terwijl de Duitse officier tussen de hoge pilaren van het sombere, grijze gebouw verdween, bleef Sas buiten op de Tirpitzoever in de duisternis wachten. Twintig minuten duurde het. Het was voor hem alsof hij 20 minuten wachtte op het doodvonnis over Nederland. Voor hemzelf stond de uitslag vast, maar een veroordeelde hoopt toch altijd tot het laatste ogenblik nog op een wonder, of althans op een uitstel van executie.
Dit keer werd de executie niet meer uitgesteld. Toen de Oster twintig minuten later naar buiten kwam, greep hij Sas bij de arm en zei met moeilijk bedwongen emotie:

  • Beste vriend, nu is het werkelijk uit. Er zijn geen tegenbevelen gegeven. Het zwijn is naar het westelijk front vertrokken, nu is het werkelijk definitief uit. Hopelijk zien wij elkaar na de oorlog terug

*

Het "zwijn" vertrok heimelijk naar zijn hoofdkwartier "Felsennest", een bunkercomplex bij Euskirchen in de Noordelijke Eifel, waar hij omstreeks 3.50 uur arriveerde. [53 ]Omstreeks 7.20 uur Nederlandse tijd had hij opdracht gegeven, aan alle onderdelen van de Wehrmacht die bij het offensief in het westen betrokken waren, het codewoord Danzig door te geven.

*

Er volgde een geëmotioneerd afscheid tussen de twee kameraden die maandenlang alles op het spel gezet hadden om Nederland te bewegen tot grotere en krachtigere defensieve maatregelen om daarmee te trachten het offensief in het westen en de overval op Nederland te voorkomen. Tevergeefs, nu ging het lang voorspelde noodlot zich voltrekken, aan Nederland, aan België en aan Frankrijk. Het enige wat de twee vrienden overbleef, was plechtig te beloven elkaar weer te zien na de oorlog,  wie weet, misschien nog diezelfde zomer, als verwachtingen van de nazi-leiding uitkwamen.
Daarna rende Sas in koortsachtige haast langs de Tirpitzoever naar de kanselarij in de Rauchstraße. Er viel geen minuut meer te verliezen!

Men wist op het gezantschap immers van de aanvallen op Polen en Denemarken en Noorwegen, dat op een gegeven ogenblik de telegraaf- en telefoonverbindingen van het gezantschap met het aan te vallen land zouden worden afgesneden. Wilde men nog tijdig het laatste alarm doorgeven, dan moest men de Duitsers vóór zijn. Sas had dit alles van te voren overdacht, en ook berekend dat het vercijferen van een codetelegram te lang zou duren. Op het gezantschap aangekomen, greep hij daarom de telefoon en vroeg het Ministerie van Oorlog aan. Twintig minuten duurde het, voor het gesprek doorkwam, 20 minuten, waarin de verbinding op elk ogenblik verbroken had kunnen worden.

Om 20.55 uur kwam in Den Haag de Marine-adjudant, de Luitenant-ter-Zee 1ste klasse Post Uiterweer aan de lijn. Zonder verder een overbodig woord te verliezen riep Sas: [19]

  • Post, je kent mijn stem, ik ben Sas in Berlijn. Ik heb nog maar één ding te zeggen: morgenvroeg, bij het aanbreken van de dag! Hou je taai! Wil je het even herhalen, je begrijpt het natuurlijk wel.

Ltz. Post Uiterweer herhaalde de boodschap, en voegde daaraan toe: "Dus brief 210 ontvangen?" Waarop Sas bevestigde; "Ja brief 210 ontvangen!"
Dit betekende volgens een eerder gemaakte code-afspraak; de invasie (200) vindt op de 10e plaats.

Op het gezantschap was bijna de hele diplomatieke staf, inclusief de Gezant zelf, verzameld. Er werd weinig gesproken.
"Staat het vast?" werd er aan Sas gevraagd. "Onherroepelijk" zei Sas. "Kijk, kun je dit zo vlug mogelijk vercijferen?" En daar, in het handschrift van Sas, stond het doodvonnis voor ons land:

  • Mededeling relatie Militair-Attaché: begin offensief morgen bij aanbreken van de dag. Volgens hem volkomen zeker.

In die woorden "volgens hem" schuilden nog steeds de laatste resten van twijfel en reserve.
Het telegram werd zo vlug mogelijk vercijferd, dat daarna telefonisch werd doorgegeven, de snelste methode zolang de telefoon nog werkte.

Oster wist echter niets, en daarmee Sas ook niet, over een grote luchtlandingsoperatie welke met de inval gepaard zou gaan.

Majoor Sas tijdens het verhoor van de Parlementaire Enquêtecommissie in 1948;

  • Ongeveer 1½ uur daarna belde overste van de Plassche (Hoofd van de afdeling Inlichtingendienst Buitenland GS IIIA) mij op en zeide, met min of meer twijfel in zijn stem: "Ik heb zulke slechte berichten gehoord over die operatie van je vrouw. Wat is dat beroerd. Heb je nu wel alle dokters gezien?" Waarop ik, nu ik mij voor de tweede keer over de open lijn had blootgesteld, kwaad ben geworden en o.m. heb gezegd: "Ja, ik begrijp niet, dat je mij onder deze omstandigheden nog lastig valt. Je weet het nu. De operatie, daar is niets meer aan te doen. Ik heb alle dokters gezien. Morgenvroeg bij het aanbreken van de dag vindt het plaats."
     
    Toen heb ik de telefoon op de haak gesmeten.

Aan de andere kant van de lijn, op het Hoofdkwartier, zei de overste van de Plassche na dit gesprek tegen de omstanders: "Nu zijn ze helemaal gek geworden."

Het tweede gesprek was de decodeer en afluistercentrale van Hitler en zijn paladijnen bij het Forschungamt niet ontgaan. 

*

A.H.K., 9 mei, avond

In de loop van de avond zei overste van de Plassche (GS IIIA) op het A.H.K. tegen kapitein Somer (Engelandvaarder) over de berichten van Sas, dat hij dergelijke alarmberichten niet meer wilde hebben, hij las ze toch niet meer...

Het hoofd van de afdeling inlichtingen van het A.H.K. (GS III), Lt. gen. H. Fabius, was er volstrekt van overtuigd dat het een misleiding betrof, "Duitse bluf", zei hij, en verliet het hoofdkwartier en ging naar huis.
Even later vertrok ook overste van de Plassche omstreeks 22.35 uur om nog een biertje te gaan drinken in café Trocadero en zei:

  • Ik geloof er niets meer van, ik ga lekker nog een biertje drinken en wensch niet meer gestoord te worden. Ze komen toch niet.

Zijn ondergeschikten, de kapiteins Römer en Somer, waren ervan overtuigd dat ze wél kwamen maar konden hun chef niet overtuigen. De specialist voor het verzamelen van inlichtingen betreffende Duitsland, kapt. Olifiers werd net als Römer en Somer, met het uur ongeruster. Van de grens kwamen tal van berichten die op bijzondere activiteiten aan Duitse kant wezen. 

Rond 22.00 kwam de OLZ met zijn staf op het AHK bijeen. Winkelman gaf de navolgende opdrachten:

  • De marine moest de havens afsluiten.
  • De luchtmacht om voorbereidingen te treffen  voor het onklaar maken van vliegvelden.

Van Dijxhoorn kreeg de OLZ om 22.30 uur toestemming om vernielingen uit te voeren ten oosten van de Maas en IJssel. Winkelman gaf een dergelijk bevel aan C.-III-LK voor het gebied tussen de Maas en Peel-Rammstelling.

Te 24.00 uur werd aan de commandant Vesting Holland en de commandant van het 1e Legerkorps medegedeeld, dat eerstgenoemde werd gemachtigd om te beschikken over het eerste legerkorps zodra hij dit nodig oordeelde. 

Volkomen zeker van een dreigende Duitse aanval en in de overtuiging dat hij alle redelijk te oordelen maatregelen daartegen had genomen, verliet de Opperbevelhebber kort na het middernachtelijk uur het A.H.K. en ging naar huis. Als verantwoordelijk officier bleef daar de sous-chef van de landmachtstaf achter, kolonel M.W.L. van Alpen. Vier en een half uur later zou Winkelman weer terugkeren naar het AHK..

Omstreeks deze tijd waren de eerste vijandelijke groepen ons land al binnengeslopen om een aantal bruggen over de Maas in Limburg tijdig in handen te krijgen. De strategische overval was begonnen.

***

 

De onheilstijdingen die Sas ontving van Oster hielden ook de overval van België in. Gedreven als hij was, speelde hij deze inlichtingen door aan de Belgische ambassade. H.B. Gisevius in zijn boek "Bis zum bittern Ende" hierover:

  • Aan wat voor gevaren zich in die tijd mannen blootstelden, die zich bewust waren van hun verantwoordelijkheid, wil ik aan tonen met een geval, dat in de afweer (militaire inlichtingendienst - vert.) heel wat stof heeft doen opwaaien. Op een neutrale plaats ontving het Belgische gezantschap voortdurend waarschuwingen, die er op neerkwamen, dat de inval voor de deur stond. Met verbazingwekkende openhartigheid telegrafeerde de betreffende diplomaat hierover aan zijn regering: de grootste zorg besteedde hij aan het weergeven van de redenen, die hem deden voorslaan geen geloof te hechten aan deze mededeling. Ze was immers afkomstig van een hoge Duitse militaire instantie en daaruit viel af te leiden, dat er hier sprake was van een schijnbeweging, want anders was de overbrenger - een verrader.

    Zoals zo vaak werd ook dit telegram ontcijferd. Een enorm spektakel was het gevolg. De afweer werkte koortsachtig. Ik van mijn kant heb zoveel mogelijk moeite gedaan om in het onderzoek te worden betrokken en de goede gang van zaken te bevorderen  door het doorgeven van passende informaties. Ik zou een aparte studie moeten schrijven - misschien doe ik het nog wel eens - als ik al de - levensgevaarlijke - indiscreties, die in de loop van het onderzoek bekend werden, weer zou willen geven. Het leek wel of bepaalde politici en landen nu eenmaal niet geholpen wensten te worden.

    Op de avond van de 9de Mei kwam een laatste dringende waarschuwing. Hiermee hebben op aandrang van de woedende Hitler zowel afweer als gestapo zich gedurende de hele oorlog bezig gehouden. Volgens, een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie moet er het volgende zijn voorgevallen: een uur na het geven van het definitieve bevel voor de opmars kwam de militaire attaché van het  Nederlandse gezantschap te Berlijn, majoor Sas, in het bezit van de mededeling, dat met zekerheid de volgende morgen om vier uur de aanval plaats zou hebben. In ieder geval had Sas tegen 8 uur een haastig gesprek met zijn Belgische collega. Hoe goed hij  voordien zijn bericht aan de Nederlandse legerleiding moet hebben doorgegeven blijkt wel daaruit, dat hij twee uur later - zo maar per telefoon! - door de chef van de inlichtingendienst (buitenland) uit Den Haag werd opgebeld. Deze kon maar niet begrijpen, dat mevrouw Sas in de kliniek moest worden opgenomen en dat werkelijk om vier uur 's morgens de kies zou worden getrokken. Of Sas nog wel "andere dokters geraadpleegd" had?

    Het maakt een dramatische indruk wanneer men in het nuchtere verslag van de telefooncontrole leest hoe de militaire attaché met nadruk ten antwoord gaf, dat het oordeel van de artsen inderdaad eenstemmig was, dat de operatie ongetwijfeld 's morgens vroeg plaats zou hebben; maar dat hij werkelijk niet kon begrijpen hoe men hem op zo'n moment nog met een telefoongesprek lastig kon vallen.
     
    Zes uur later rolden Hitler's tankafdelingen over de onbeschadigde Nederlandse bruggen en ook de overrompeling van het fort Ebenemael was een volledig succes. 

 

 

Doel der overvallers.

De hier en in het voorspel beschreven ontwikkelingen in nazi- Duitsland, konden de meeste Nederlanders niet weten. Er was daardoor een gebrek aan inzicht voor de demonie van het nationaal-socialisme. Overigens, voor het merendeel der Duitsers bleven de misdadige bedoelingen van het nazi-bewind ook verborgen. Hoewel het de Duitsers lang genoeg ingepeperd was dat zij "lebensraum" nodig hadden, was hun daarbij niet bij verteld dat zij dat met hun eigen bloed en levens moesten betalen.

Men was er bij de Generale Staf van het Nederlandse leger ervan overtuigd dat een oorlog er aan zat te komen en hadden een inschatting gemaakt over het krijgsbeleid de tegenstander vermoedelijk zou voeren. 
 
Zij waren van mening dat de Duitsers bij een overval het zwaartepunt van hun offensief bezuiden de grote rivieren zouden laten vallen, waarbij hun rechtervleugel door Noord Brabant zou trekken. Benoorden de rivieren zou dat offensief slechts gedekt worden. 
Die conclusie was juist. 
Men verwachtte dat áls ze kwamen, de hoofdmacht daarna zou zwenken en daarmee België binnen zou vallen. Ook dat was juist! 
Niet werd verwacht dat zij juist met een van hun tankdivisies ook noordwaarts, richting Dordrecht en Rotterdam zouden trekken ondanks de twee waarschuwingen van Sas hierover. 
Maar die onwetendheid gold ook voor de militaire staven van de Fransen, de Belgen en de Engelsen. Deze werden ook verrast.

*

Na de beëindiging van de veldtocht in Polen gaf Hitler op 6 oktober 1939 de Duitse legerleiding opdracht een offensief in het Westen voor te bereiden. Verschillende plannen werden door het OKW ontworpen. Uiteindelijk werd in januari 1940 door Hitler besloten om ook heel Nederland te bezetten. Deze aanval op het westen had de codenaam "Fall Gelb" gekregen.

De opzet van dit plan was als volgt.

De Duitse legergroep B, onder bevel van kolonel-generaal Fedor von Bock moest op de noordelijke vleugel aanvallen en de Franse en Engelse troepen naar zich toe lokken. Daarna zou Legergroep A, onder bevel van kolonel-generaal Gerd von Rundstedt onverwachts door de Ardennen uitbreken en achter de geallieerde legers naar de kust gaan. 

Het Duitse hoofddoel was de vernietiging van de Franse en Engelse legers. Zoals de geschiedenis zou leren, werd dit plan een succes. Nederland was bij dit alles, althans vanuit de Duitse optiek gezien, een soort nevenoorlogstoneel, zij waren bevreesd voor een Engelse landing in Nederland waaraan hun flank werd blootgesteld. Daar de vernietiging van de geallieerde legers hét doel was, moest Nederland maar zo snel mogelijk veroverd worden. Mogelijk daarom werd een vierde aanvalsas bedacht, een luchtlandingsoperatie, om de bruggen die toegang gaven tot de Vesting Holland open te houden voor de aanstormende tankdivisie.

De hoofdaanval van legergroep B zou bij Gennep over de Maas gaan en dan in drie dagen naar Rotterdam optrekken. Een tweede aanvalsas ging via Zutphen en Amersfoort, richting Amsterdam. Een aanvalsrichting op de Vesting Holland die van belang werd als de hoofdaanval op de Rotterdam om wat voor reden ook zou mislukken. Dit was de as die uiteindelijk bij de Grebbeberg uitkwam. Ook kwam er nog een noordelijke aanvalsas, die bij de afsluitdijk strandde. 

Opvallend was dat er een tweede luchtlandingsoperatie bij kwam, bij Den Haag, waar de vliegvelden daaromheen ingenomen moesten worden. Dat was een poging om met parachutisten en luchtlandingstroepen, die op Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg zouden landen, de regering, de koningin en legerleiding vast te zetten om zo een onmiddellijke capitulatie te bewerkstelligen. 

Afgezien van alle tactische details hadden de Duitsers over de Nederlandse krijgsmacht met inbegrip van haar  zwakke stellingen voldoende gegevens verzameld om de verwachting te koesteren dat de bezetting van ons land niet teveel moeite of tijd zou kosten. Meer dan enkele dagen verwachtten zij niet.

Een bijzondere taak had de "Einsatzgruppe Feldmann". Deze moest landen op Ypenburg, iets later dan de parachutisten. Zij zouden daarbij hulp ontvangen van enkele ( onbekend gebleven) Abwehrmedewerkers om medewerkers van de Nederlandse, Franse en Engelse inlichtingendiensten onmiddellijk in handen te krijgen die  vermeld stonden op de Fahndungsliste Holland.

Dát, was de opzet!

*

Kennelijk hadden de Duitse generaals bange voorgevoelens. Zij vreesden een herhaling van de massa-executies en de ongelooflijke wreedheden van hun eigen troepen en die van de SS en SD tegen Poolse burgers en klampten zich vast aan de bepalingen van het Haagse Landoorlogregelement. Zij wensten zich te distantiëren van de SD en de SS en scherpten de gedragsregels aan van de bij Fall Gelb betrokken militairen. Als wilden zij hiermee aangeven geen deel uit te maken van de nazihorde onder leiding van hun Reichskanseler.

Von Sponeck (C.-22 LL Div.) gaf een order uit voor zijn troepen waarin hen werd medegedeeld wat zij moesten "in den vreemde", maar vooral wat zij moesten nalaten en vermeldde hierin ook de strafmaat voor een overtreding daarvan.

  • .. Behoorlijk optreden als soldaat is de eerste plicht.... Het bezette land en zijn inwoners mogen niet worden uitgebuit. Zij staan onder de bescherming van elke Duitse soldaat afzonderlijk.. Het culturele leven van de bevolking moeten worden ontzien. Kunstschatten en monumenten moeten worden ontzien. Joden in het bezette gebied moeten ongemoeid worden gelaten. [9]

Het resultaat was dat de gemiddelde burger in Nederland, die na de strijd met Duitsers in aanraking kwam, over het algemeen van mening was, zij het met gemengde gevoelens, dat deze zich netjes gedroegen.
Die indruk zou in de daarop volgende jaren verbleken...

*

Intussen werd aan de 22e Infanterie Divisie kenbaar gemaakt wat zij bij Valkenburg konden verwachten: [28]
 

 
De 22. Division Abt. Ic Nr. 150/40

F e i n d n a c h r i c h t e n b l a t t.

(vergl. hieran Feindnachr.Bl.zum ......stellingsbefehl Ic Nr. 149/40 g.Kdos.)

  1.  ...

  2. Uit meerdere stukken in de Hollandse dagbladen lijkt het dat Nederland zich voorbereidt op Luchtlandingen. Hoewel de onrust over parachutisten en luchtlandingstroepen groot is, is het vermoeden dat van de in 's Gravenhage gelegerde tegenstanders op A-dag vermoedelijk geen georganiseerde tegenstand te verwachten is. Het is verstandig, in het bijzonder bij de landingsplaatsen op tegenstand te rekenen. Deze is echter door krachtig aanpakken te breken.
    De aan de noordrand van 's Gravenhage gelegen kazernes worden, voordat de parachutisten landen, door de luftwaffe aangevallen, evenals de bezettingen van landplaats I en III ( I als er bezetting aanwezig is, tot dus ver nog niet bekend). De waarde van deze troepen zijn geringer dan wordt beweerd. Na de demoraliserende uitwerking van de luchtaanval is krachtig aanpakken geboden. Er wordt er op gewezen dat het in 's Gravenhage gelegerde Regiment Grenadiers het beste regiment van het Nederlandse leger is.

  3. Op A-dag avond tot A-1 dag moet men rekening houden dat de weerstand verzwakt.
     
    De bij de Rijn ingezette delen van I.R.47 moet rekening houden met aanvallen van delen van de 3e Divisie (Omgeving Haarlem) en het 4.R.I. (Katwijk - Noordwijk). De in Katwijk aan Zee gemelde delen van 2R.A. zijn waarschijnlijk in korte tijd gevechtsgereed.
     
    Of de in Leiden en Voorschoten gelegerde Depot troepen geschikt zijn voor het gevecht is niet te beoordelen. Met hun moet toch rekening worden gehouden.

  4. .....

*

 

Niet alleen militair werd de oorlog voorbereid maar ook propagandistisch. Aan het Duitse volk en vooral de betrokken militairen bij Fall Gelb moest aannemelijk gemaakt worden dat deze oorlog in het westen een rechtvaardige was. Een oorlog die een bedreiging van Duitsland moest wegnemen, een oorlog voor de vrede dus. 

Gefingeerde rapporten zagen het licht. [9]
Reichsaussenminister von Ribbentrop kwam met een rapport waarin Franse en Engelse strijdkrachten van plan waren om via Nederland en België naar het Ruhrgebied door te stoten. Het hoofd van de Duitse politie, Reichsführer-SS Himmler, gaf in dat rapport aan de hand van vervalste gegevens een beeld weer van de nauwe samenwerking tussen de geheime diensten van Nederland, Frankrijk en, vooral Engeland en beweerde dat vóór het z.g. Venlo-incident de Nederlandse regering de val van het naziregime had trachten uit te lokken. 

Het tweede rapport, ondertekend door de chef van het OKW, de generaal Keitel, betoogde dat, wat ons land betrof, uit alle militaire maatregelen welke genomen waren, bleek dat Nederland een Geallieerd offensief tegen de Duitsland wilde bevorderen.

Reeds in de ochtend van 10 mei gaf de Reichsaussenminister een persconferentie. ( Nederlandse journalisten konden hierbij niet aanwezig zijn, zij waren geïnterneerd. Journalisten van de andere aangevallen landen waarschijnlijk ook.) Hij dikte zijn leugens nog wat aan: "Het is de rijksregering", zo fantaseerde hij: 

  • sinds gisteren bekend, dat Engeland, de Belgische en Nederlandse regering mededeling gedaan heeft van de onmiddellijk op handen zijnde landing van Engelse troepen op Belgisch en Nederlands gebied.

Aan de Duitse pers werd geboden de inval in Nederland en België mét de mededeling van von Ribbentropp niet geïsoleerd van elkaar te vermelden.

Of de Duitse bevolking deze leugens voor waarheid aannam is niet bekend. Voor de meerderheid van dat gelijkgeschakelde Duitse volk, dat al vanaf 1933 murw gemaakt was door een veelheid aan propaganda zal het iets geweest zijn wat moest gebeuren. Tenslotte was Duitsland omsingelt door vijanden met slechte bedoelingen.

**

10 mei, deel 1