TERUG

Dpl. sergeant J.W. Klaver.

Staf. Vbd.A.-II-4R.I..

BRON :Sectie Militaire Geschiedenis Koninklijke Landmacht.

 

Verklaring afgelegd door dpl. sergeant J.W. KLAVER van Staf-II-4R.I., geboren 3 October 1913, van beroep expeditiechef, wonende -- blank --, in de 420e Vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen.d.d. 11 December 1950.

In de vroege morgen van 10 mei 1940 zijn wij vanuit Noordwijk-Binnen vertrokken naar Katwijk-Binen. Wij rukten op langs de weg. Bij Katwijk-Binnen aangekomen werden wij gesplitst. Overste Buurman ging met een gedeelte een straat in, welke rechts evenwijdig loopt aan de weg langs de Oude Rijn. De rest nam de weg langs de Oude Rijn. Ik maakte geen deel uit van de groep die met de Overste meeging. Luitenant de Beer bevond zich bij het gedeelte waarbij ik was.
Op de hoek van de Kerkstraat kwam de overste naar ik heb horen zeggen onder vuur van een huis aan de overzijde van de Oude Rijn, juist tegenover de brug die naar het Seminarie gaat. Dit was huis no. 18. Doordat de overste voor dit vuur moest stoppen, konden wij ook niet verder. Met een aantal mensen zijn wij tussen de huizen door naar de Oude Rijn gegaan.

Daar vonden wij op een afstand van 50 70 meter van de brug een bootje. Van de Lt. de Beer is het initiatief uitgegaan om met de boot over te steken, daar wij de brug, welke ook door het vuur uit perceel no. 18 kon worden bestreken, niet konden passeren. Ik had een opmerking in deze zin gemaakt. Wij vonden een bootje, waarmee wij, voor zover mij bekend, in twee ploegen zijn overgestoken. Tussen de brug en de plaats waar wij overvoeren, lag een grote schuit dwars over de Oude Rijn, waardoor wij enige dekking hadden. Toen wij overstaken, hebben wij geen vuur gehad uit het perceel no. 18, wel vanuit vliegtuigen die overkwamen. Links en rechts van ons sloegen de kogels uit deze vliegtuigen in het water.

De boot waarmee wij overstaken was een roodgeschilderde roeiboot. Door op de bodem te gaan liggen hadden wij enige dekking van de ijzeren wanden. Wij zijn overgestoken door de boot aan de oever af te duwen. De eerste maal dat de boot overvoer, zat De Lange er in. een aantal mensen bevond zich bij hem. Toen zij aan de overzijde waren hebben zij de boot een duw gegeven zodat hij weer bij ons terugkwam. Op de plaats waar wij in de boot gingen, waren wij enigszins gedekt doordat een muur doorliep tot aan het water. Aan de overzijde lag een grote stapel hout, welke daar dekking gaf. Toen de boot voor de tweede maal naar de overkant ging, zat ik erin. Ik weet niet wie er bij mij in de boot gezeten hebben.

De groep personen die bij de eerste tocht zijn overgegaan, zijn voor het perceel 18 aan de zijde van de Oude Rijn in stelling gegaan. Ik ben met de mensen, die gelijk met mij zijn overgestoken, naar de achterzijde van het huis gegaan, wij hebben een open landje overschreden en zijn in een bollenschuur in stelling gaan liggen. Een van mijn mensen werd in de bollenschuur dol. Hij liep te hollen en te schreeuwen en gooide van alles in de war. Ik heb twee mensen aangewezen om hem in bedwang te houden. 
Daar ik verwachtte, dat de Duitsers voor het vuur van de ploeg, die het eerst was overgestoken, perceel no.18 aan de achterkant zou verlaten, gaf ik de mitrailleurschutter, die bij mij was opdracht de achterdeur van het huis goed in het oog te houden en te vuren, zodra de Duitsers uit het huis zouden komen. Zoals ik verwacht had geschiedde. De Duitsers kwamen aan de achterzijde uit het huis. Door zijn zenuwen was de schutter niet in staat met de mitrailleur vuur uit te brengen. Mijn mensen van de Verbindingsafdeling heb ik met de karabijn laten vuren. Ik zelf had weinig ervaring met de mitrailleur en om verder geen tijd te verliezen heb ik zelf ook met de karabijn op de Duitsers gevuurd. Zij passeerden ons op 50 meter afstand en vluchten het park van het Seminarie in. Met ons vuur hebben wij geen merkbaar resultaat geboekt.

Toen de Duitsers uit perceel 18 waren gevlucht, ben ik met mijn mensen teruggegaan in de richting van de brug. Onderweg zag ik, dat majoor Cramer met een aantal mensen de brug over stormden. Samen met de manschappen, die de eerste maal met het bootje waren overgestoken en mogelijk mensen, die met majoor Cramer waren meegekomen, heb ik in tirailleurslinie het park van het Seminarie doorzocht omdat de Duitsers daarheen waren gevlucht.

Ik bevond mij op de linkerflank van de linie. Rechts liep De Lange. Op zeker moment hoorden wij vuren. De Lange dacht, dat het eigen vuur was. Hij sprong op en liep een pad over. Ik waarschuwde hem nog. doch deze waarschuwing mocht niet meer baten. Hij werd door vuur van een Duitse mitrailleur gewond.
De Duitsers heb ik niet meer gezien. Vermoedelijk zijn zij teruggetrokken naar de weg naar Rijnsburg.
Ik kan mij niet herinneren, dat ik Lt de Beer weer heb gezien voordat wij het park van het Seminarie hadden doorzocht. Ik weet zeker, dat de Lange met de eerste boot is overgestoken. Van de Burg en Koolloos kunnen bij hem zijn geweest, dat weet ik niet zeker. Lt. de Beer zou met de eerste boot kunnen zijn overgestoken. Hij heeft niet bij mij in de boot gezeten. Als hij ook niet in de eerste boot heeft gezeten en hij is toch naar de overzijde gekomen, dan moet hij bij een eventuele derde overtocht zijn meegegaan. Ik weet niet of sergeant Wolfers is overgevaren en zo ja in welke boot. 
Ik was in de veronderstelling, dat ik de enige onderofficier was die zich aan de overzijde bevond. Door de spanning van het ogenblik heb ik er niet goed op gelet wie in mijn omgeving aanwezig waren.

Dit alles is door mij op eigen gelegenheid gedaan, omdat ik zag, dat hier geen bevelen van hogerhand konden worden gegeven en dat dit iets was dat wij zelf moesten opknappen.
Later heb ik deelgenomen aan het doorzoeken van huizen in de richting Valkenburg. Ook ben ik op weg geweest naar het vliegveld, doch dat wij zijn niet verder gekomen dan een zandrug, die de weg loodrecht kruist. Op dat punt kregen wij bevel terug te gaan, zodat wij niet op het vliegveld zijn geweest.

Op 11 mei heb ik deelgenomen aan een aanval op het dorp Valkenburg, welke te 08.30 werd ingezet. Ik stond toen onder Lt. De Beer. 
Er waren geen verbindingen aan te leggen en daarom ben ik met mijn mensen van de Vbd.A. bij deze aanval ingedeeld. Tirailleurs die voor ons liepen zijn het dorp binnengegaan. Daar een Duitse mitrailleur vanuit huize de weg onder vuur nam, zijn wij het zijterrein in gegaan met het doel een omtrekkende beweging te maken en deze mitrailleur op te ruimen.
Manschappen van de tirailleurs kwamen bij Lt. de Beer om te melden, dat artillerievuur van de vijand vlak voor hen lag. Ik zei dat dit niet mogelijk was daar de vijand niet over artillerie beschikte. Het moet dus vuur geweest zijn van onze eigen artillerie, die onze aanval begeleide. Deze mensen hebben wij gerust gesteld en zij zijn weer naar voren gegaan. Wij gingen huizen binnen om de mitrailleur aan te vallen. Wij hoorden de artillerie-inslagen steeds dichterbij vallen. Steeds meer tirailleurs kwamen terug voor het artillerievuur. de luitenant zei: "Het vuur komt steeds dichterbij, wij kunnen ons hier niet handhaven en gaan terug." Lt. De Beer en ik zijn als laatsten teruggegaan. Sergeant Maat, die bij ons was geweest en vlak voor ons vertrok, wilde langs de weg gaan, doch kwam onder vuur van de Duitse mitrailleur. Hij kon juist op tijd dekken. Met ons drien zijn wij toen in een bootje overgestoken en hebben ons bij de anderen kunnen voegen.

's Gravenhage, 11 December 1950.

J.W. Klaver

Opgenomen: St.