|
Voor de oorlog
Het wapen der Infanterie
Mobilisatie 1914-1918
Voorspel.
De Algemene Mobilisatie.
Rats kuch en bonen.
Fotopagina
1 (Mobilisatie)
|
Voorspel
Zien we er nu op terug, dan moeten we vaststellen, dat het onheil
dat toen over ons land kwam, zich al op 30 januari 1933 in Duitsland aftekende toen
Hitler
de dictatuur verwierf.

De aanstichter van de tweede- in de
eerste wereldoorlog.
Voor hem gold niet de heiligheid van een belofte, voor hem was
elke handeling, zedelijk of onzedelijk, geoorloofd, als zij slechts voordeel bracht. Geheel de tendens van zijn boek “Mein Kampf” gaat van dit principe uit.
INTERBELLUM.
Duitsland.
De geallieerden hadden na de eerste wereldoorlog de
Republiek Duitsland in het verdrag van Versailles zeer zware
vredesvoorwaarden opgelegd. Van juridisch belang waren artikel 231
van het verdrag, waarin Duitsland de verantwoordelijkheid – maar
niet de schuld – voor de oorlog kreeg, en artikel 232, waarin
stond dat Duitsland naar vermogen herstelbetalingen moest doen. De
hoogte van de herstelbetalingen werd pas na lange onderhandelingen
in 1921 vastgesteld op 132 miljard goudmark, een bedrag
vergelijkbaar met 47 miljoen kilo goud, te betalen in 66
jaartermijnen, aan met name Frankrijk, Engeland, Italië en België.
[89]
Ook werd geëist de
vernietiging van alle wapens, uitlevering van de slagvloot en het
verbod van een luchtwapen. Wel was hun toegestaan een landleger van
7 infanteriedivisies en 3 cavaleriedivisies, vormende twee
legerkorpsen. Het gebied van de linker Rijnoever werd voor een duur
van maximaal 15 jaar bezet door geallieerde troepen.
Door het verdrag (28 juni 1919) raakte Duitsland een
zevende van zijn grondgebied en een tiende van zijn bevolking kwijt.
Frankrijk annexeerde het in 1871 verloren Elzas-Lotharingen, het
Saarland kwam onder bestuur van de Volkenbond te staan en grote
delen van West-Pruisen en Posen gingen naar de kersverse republiek
Polen. Ook verloor Duitsland al zijn koloniën. Naast een verlies
aan grondgebied en mensen betekende deze bepalingen ook een zware
aderlating voor de Duitse industrie: een flink deel van de
steenkolen- en staalproduktie ging verloren. Verder werd het Duitse
leger beperkt tot honderdduizend man. In het beruchte artikel 231
uit het Verdrag tenslotte werden Duitsland en haar bondgenoten aansprakelijk gesteld voor alle
schade en verliezen die zij tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden
veroorzaakt. Het was vooral Frankrijk geweest dat tijdens de
onderhandelingen over het Verdrag had gehamerd op een harde aanpak
van Duitsland.
*
Nederland
Het Nederlandse volk en regering voelden zich hierbij bijzonder
veilig. Duitsland was ontwapend en stond onder zware geallieerde
controle. Het gevoel van veiligheid werd nog vergroot door de
oprichting van de volkenbond waar Nederland zich in maart 1920
aansloot. ( In 1934 werden Nederlandse mariniers naar
Saarbrücken gestuurd in het kader van de Volkerenbond.) De Amerikaanse president Woodrow Wilson was de drijvende kracht
achter de oprichting van de volkenbond, maar Amerika deed
uiteindelijk zelf niet mee omdat het de vrije hand wilde hebben en
niet gebonden wilde worden. Zo was de volkenbond eigenlijk al bij de
oprichting mislukt en kon zich niet ontwikkelen tot een
internationale organisatie die conflicten vreedzaam kon oplossen.
Dat werd onmiddellijk duidelijk toen Hitler aan de macht kwam. [6]
De groeiende afkeer tegen militair geweld, waarvan
de gruwelijke verschrikkingen van de
loopgravenoorlog
in hun volle omvang bekend werden gaven het aanzien van
verschillende pacifistische bewegingen. Deze bewegingen kwamen alle
tot de conclusie, dat de militaire uitgaven moesten worden beperkt.
Ook buiten de volksvertegenwoordiging kwamen deze stromingen tot
uiting in de vorm van talloze gedragen "gebroken
geweertjes". [7]
Voor alle duidelijkheid : de SDAP (de voorloper van
de PVDA) was tot augustus 1939 een oppositiepartij die geenszins
invloed had op de bezuinigingen op 's lands defensie en heeft dus niet,
zoals wel eens makkelijk en abusievelijk wordt aangenomen,
bijgedragen aan de verslechtering van 's lands defensie.

De Nederlandse staatsschuld was in vijf jaar tijd
tot bijna twee miljard gestegen. Een astronomisch bedrag voor toen.
De scheepvaart lag bijna stil en de industrie was weggekwijnd. De
'nooit meer oorlog' stemming deed zich ook op partijpolitiek en
religieus terrein gelden.
Op straat kregen de officieren in uniform meer dan
eens de term 'landopvreter' naar hun hoofd geslingerd. Minister H.P.
Marchant van de Vrijzinnig-Democratische Bond ging zelfs in de Tweede Kamer zover te zeggen 'dat het
beroepskader moest worden uitgebrand'. Bij dit alles kwam nog dat
het Nederlandse volk ook al vóór 1914 bepaald geen hoge dunk van
het beroepsleger had. Eerbied voor de militair zoals in de ons
omringende landen was er bij ons nooit geweest. Een en ander
versterkte natuurlijk nauwelijks het toch al niet zo hoge moreel in
de strijdkrachten.[7]
Met liefst 71 tegen 9 stemmen besloot
de Kamer om 10.000 van de 23.000 man van de lichting 1921 niet op te
roepen. Aan de forten werd al geruime tijd niet meer gewerkt. Dit
had, tussen haakjes, tot gevolg dat de verdedigingswerken van de
Vesting Holland er in 1939 nog zo bij lagen als in 1890.[7]
Op 14 december 1921 wist de nieuwe minister van
Oorlog, J.J.C. van Dijk, de Dienstplichtwet 1922 door de Tweede
Kamer te loodsen die zestien jaar niet werd veranderd. Gezien de
economische problemen waar de regering voor stond was het een
redelijk compromis maar de daarin toegezegde verbeteringen werden
nimmer gerealiseerd wat gevolgen kreeg die tot in 1940 hebben
doorgewerkt. De wet mocht dan een aanvaardbaar compromis zijn maar
voor het leger kwam zij uiteindelijk neer op een grote
achteruitgang.
-
De eerste oefening werd van acht op vijf maanden
teruggebracht.
-
In zg. "vooroefeninstituten" konden de
dienstplichtigen hun opleiding buiten de kazerne krijgen
waardoor de dienstplichtige slechts 1,5 maand daadwerkelijk in
de kazerne doorbracht.
-
De lichtingsterkte werd van 23.000 man
teruggebracht naar 19.500.
-
De infanteriesectie van van vier groepen werd
teruggebracht tot drie.
Ook het vestingstelsel werd gereorganiseerd. Gevormd
werd de Vesting Holland met het oostfront Muiden-Utrecht-Gorkum, het
zuidfront Biesbosch - Hellevoetsluis, het westfront aan de
Noordzeekust en het noordfront Wijk aan Zee - Edam. De bestaande
vestingwerken die buiten de Vesting Holland en de Stelling van Den
Helder vielen werden in 1926 grotendeels opgeheven en nieuwe werken
werden daar niet meer gebouwd.
Om het oorlogsleger te bemannen waren niet meer dan
vijftien lichtingen nodig. Dat betekende dus dat oudere
dienstplichtigen : huisvaders van omstreeks 35 jaar terstond bij een
mobilisatie te velde kwamen. Doordat de dienstplichtigen, ondanks
hun uiterst summiere eerste opleiding van vijf en een halve maand,
de laatste negen jaar van groot verlof niets meer van de dienst
zagen, bleef er van het geleerde na vijftien jaar natuurlijk bitter
weinig over. Ook de eerste oefening en de herhalingsoefeningen voor
reserve officieren waren tekort. Door de nieuwe organisatie
halveerde het aantal beroepsofficieren en de onderofficieren tot
minder dan de helft.
Het kwam er kort en goed op neer dat Nederland in
vredestijd in feite geen leger bezat, doch slechts een verzameling
van schooleenheden, twee bataljons per regiment infanterie. De
totale numerieke sterkte van de Landmacht, militairen in opleiding
plus de beroepsmilitairen, bedroegen nauwelijks meer dan 20.000 man.
[7] Het aantal beroepsofficieren van de landmacht liep
gestadig terug: van 1050 in 1918 tot 625 in 1936.[9]
*
Bezuinigingen
In de daarop volgende jaren kwamen er in Nederland
nog tal van bezuinigingen bij, waar links en rechts in de politiek
eendrachtig aan meewerkten. In 1923 werd de roemruchte
"Vlootwet", welke in een versterking van de Indische vloot
voorzag, door de kamer verworpen. Te duur. De regering bood haar
ontslag aan. Wel werd er nog eens een bezuiniging van tien miljoen
gulden voor het beroepspersoneel doorgevoerd.
*
In 1927 bedroeg de oorlogsbegroting slechts 59
miljoen gulden, waarvan later nog het een en ander zou worden
afgeknabbeld. De wereldcrisis die in 1929 inzette, leidde tot
verdere bezuinigingen. Twee jaar later werd een deel van het
beroepspersoneel op non-actief gesteld. Het nieuw gevormde Ministerie van Defensie besloot in 1931 en 1932
geen legeroefeningen te houden en de herhalingsoefeningen uit te
stellen. Eind 1930 waren er in Nederland rond de 250.000 werkelozen. In 1936
bereikte het aantal werklozen een wel droevig hoogtepunt met om en
nabij 630.000 geregistreerde werklozen (23,5 %). Niet in cijfers te vangen is de daarmee samenhangende ellende.
Omstreeks 1931 noopten de economische omstandigheden
tot ingrijpende bezuiniging op de rijksuitgaven. Aan de
"commissie Welter" werd opgedragen de regering daaromtrent
te adviseren. In haar rapport was deze commissie evenwel van mening;
[10]
Zij achtte verdere beperking van kredieten voor
aanschaffing van materieel enz. niet verantwoord en een verhoging
bij de landmacht zelfs noodzakelijk.
In het najaar van 1933 was de nieuw geïnstalleerde
bezuinigingscommissie "Idenburg" evenwel gekomen tot een
bezuiniging van 102 miljoen op een begroting van 587 miljoen gulden.
Waarbij hun tevoren was medegedeeld dat de bedoelde commissie de
voorstellen moest doen en de beoordeling van de toelaatbaarheid aan
de regering over moest laten Voorgesteld werd o.a. een salarisverlaging van 13 % voor ongehuwde
en 8 % voor gehuwde ambtenaren en een verlaging van de
werklozensteun met 15 %.

Uit een stripverhaal (1935) over
het leven van Colijn van Leendert Jordaan (1885-1980)
*
De omwenteling
In München leidde op 29 januari 1923 de
partijleider Hitler, een voormalige gefreiter uit Bohemen, de eerste
Reichsparteitag van de NSDAP in. Hij hield een onstuimige rede,
waarin hij de opzegging van het verdrag van Versailles eiste. Overal
had de partij voor vlaggen gezorgd en de deelnemers ( 6000 man SA)
aan het congres liepen met armbanden waarop het partijteken, het
hakenkruis, stond. De wereld zou nog van hem horen. Maar eerst moest het Duitse volk
van haar democratie afgeholpen worden om zijn verwerpelijke ideeën
in praktijk te kunnen brengen.
Een poging van de partijleider om op 9 november van
dat jaar in Beieren de macht te grijpen mislukte. Er vielen 16
doden. Op 1 april 1924 werden de plegers in een "Volksgericht" in
24 procesdagen tot een milde straf van 5 jaar veroordeeld. De NSDAP
werd verboden, welke in 1925 weer werd heropgericht.
Gevangen, dankzij de familie Wagner in alle comfort overigens, in
cel 7 van de vesting Landsberg aan de Lech schreef hij met behulp van Rudolf
Hess zijn boek Mein Kampf, een geschrift vol haat en opruiing.
In 1925 stond de partijleider met zijn boek echter
al weer op straat. Intussen hadden de Fransen in 1924 het
Ruhrgebied verlaten. Er was een overeenkomst gekomen over de Duitse
herbetalingen.
Verkiezingen nov. 1932.
Ondanks het feit dat Hitler door Von Hindenburg in
de verkiezingen was verslagen, werd hij door de bemiddeling van
industriëlen en bankiers en de steun van Von Papen op 30 januari
1933 door Von Hindenburg benoemd als Rijkskanselier
(minister-president). Men dacht de macht van de NSDAP door opname in
de regering in te kapselen. Hij NAM dus niet zelf de macht : hij
KREEG die macht van Von Hindenburg!
Uit angst voor het ‘rode gevaar’ steunde een deel van de elites
een fascistische machtsovername.
Rijksdagbrand. [12]
Op 27 februari 1933 stond plotseling, hoogst
waarschijnlijk met medeweten van naziekopstukken, het eerste Duitse
gebouw in brand, het rijksdaggebouw.

Na een chaotisch "bruin" proces werd
uiteindelijk een jaar later de van communistische sympathieën
verdachte Nederlander Marinus van der Lubbe als schuldige aangewezen
en ter dood veroordeeld.
Het was Erich Eyck, de geschiedschrijver van de Weimarepubliek,
die in verband met Hitler een passage - een universele passage is
gebleken! - aanhaalde uit Goethe’s autobiografie waarin deze,
vermoedelijk vooral beïnvloed door het gadeslaan van Napoleons
opkomst en ondergang, geschreven had over menselijke
persoonlijkheden waarin een geheimzinnige, demonische kracht
domineerde: [9]
-
Het zijn niet altijd de voortreffelijkste mensen, noch aan
geest noch aan talenten, en zelden bekoren zij door de goedheid
des harten; maar een geweldige kracht gaat van hen uit en zij
oefenen een ongelooflijke attractie uit op alle menselijke
wezens…. Alle verenigde zedelijke krachten zijn jegens hen
machteloos; het is vergeefs, dat het deel van de mensheid dat
meer inzicht heeft, hen verdacht wil maken als bedrogenen of als
bedriegers - de grote massa wordt door hen aangetrokken. Zij
zijn door niets anders te overwinnen dan door het heelal zelf
waarmee zij de strijd aanbonden -
Ook zijn de eerste acties begonnen tegen de Joodse bevolking. Er
werd een algemene oproep gedaan om Joodse zaken te boycotten. In
ijltempo werden op sleutelposities in de regering en in de
deelstaten nazi's benoemd, tegenstanders werden middels
schijnprocessen achter de tralies gezet of, als dat niet lukte,
simpelweg vermoord. De macht van de deelstaten werd volledig
ondergeschikt gemaakt aan het centrale gezag in Berlijn.
|
Humorloos, verbitterd en rancuneus. Hem ontbraken
menselijke kwaliteiten, was onbetrouwbaar en had geen
duidelijke morele principes. |
|
Na het overlijden van Rijkspresident Hindenburg op 2
augustus 1934 eigende hij zich middels een
"volksstemming" - 90% stemden voor - de functie
van Hindenburg toe als Rijkspresident en was voortaan
Führer und Reichskanzler. In vage vorm deed hij zijn
plannen voor "Lebensraum" uit de doeken. Zijn populariteit zou nog verder groeien door zijn
omvangrijke werkgelegenheidsprogramma's, de daaraan
gekoppelde herbewapening en de "terugkeer" van
het Saarland en het Rijnland. |
Hernieuwd inzicht.
Si vis pacem, para bellum.
Ongerust was men geworden in Nederlandse
officierskringen, met name die van de Hogere krijgsschool. Een daar
in de winter van '34-'35 uitgevoerde strategische oefening op de
kaart had duidelijk gemaakt dat ons land tegen een onverhoedse
aanval van Duitsland vrijwel weerloos zou zijn. De directeur van de
Hogere Krijgsschool bracht dit in "geheime persoonlijke
brief" ter kennis aan de chef van de generale staf de lt. gen.
l Reijnders. [7]
Reijnders hield een Duitse strategische overval niet
voor waarschijnlijk. Hoewel hij vond dat de Commandant Veldleger en
de Hogere Krijgsschool spoken zagen, nam hij deze brief :
De Nederlandse Regeering dient er bij het treffen van hare maatregelen van uit te gaan, dat binnen afzienbaren tijd zij, onafhankelijk van haar wil, niet slechts in een West-Europeschen oorlog kan worden betrokken, ten gevolge van een doortocht door ons gebied, doch dat daarbij van den aanvang af ernstig rekening moet worden gehouden met een directe bedreiging van ons onafhankelijk volksbestaan.
Het was dus dringend nodig uitgebreide maatregelen ter opvoering van de sterkte van het leger te nemen, als hoedanig de Chef van den Generale Staf voorstelde:
Uitbreiding van het contigent tot 30.000 man,
Vorming van een permanent aanwezige kern van geoefend personeel,
Vorming van een bataljon pantserwagens,
Invoering van infanteriegeschut met munitievoorraad,
Ruimere aanschaf van vliegtuigen,
aanschaffing van modern luchtdoelgeschut met munitie-uitrusting,
Het leggen van infanteriegarnizoenen in Doesburg, Zutphen en Deventer,
Voorbereiden van een vernielings- en versperringsplan en het aanbrengen van permanente ladingen in bruggen over de IJssel en Maas en deze door politietroepen te bewaken en zoonodig met de vernieling te belasten.
"het urgentieprogramma", toch als uitgangspunt voor een reeks
vergaande plannen, die hij in februari 1935 bij de minister Deckers
van defensie indiende. Waarschijnlijk gebruikte hij het als argument
om meer fondsen te verkrijgen. [16]
De voorstellen werden wegens geldgebrek
vrijwel volledig afgewezen. Alleen verklaarde de minister zich
bereid om het Korps Politietroepen met ongeveer 400 man uit te
breiden voor grensbewaking en het vrijwillig laten nadienen van
enkele honderden dienstplichtigen. [18]
*
Voortschrijdend inzicht bracht in Nederland in
politieke en militaire kringen langzaam maar zeker het gevoel dat er
wat aan defensie gedaan moest worden. Maar dat werd pas in 1937 in
concrete daden omgezet.
Aan dat voortschrijdend inzicht droeg de Duitse dictator ongewild aan bij met de bezetting
van het Rijnland op zondag 7 maart 1936. Wéér gokte hij er op dat
Frankrijk en Engeland niet zouden ingrijpen.
Nadat Duitse troepen de "Wacht am Rhein"
hadden betrokken liet minister-president Colijn reeds op 11 maart in
een radiotoespraak weten dat een deel der dienstplichtigen die met
groot verlof zouden gaan, tot nader order (vijf weken) onder de
wapenen moesten blijven. Aan het slot van zijn toespraak sprak hij
zijn berucht geworden vaderlijk advies aan ons volk om toch vooral
maar rustig te gaan slapen. [7]
-
Uit de uitvoerige berichten en beschouwingen die
in de laatste dagen in onze dagbladen verschenen heeft ook het
Nederlandsche volk kunnen vernemen dat de politieke spanningen
in Europa weer grooter zijn geworden. Het is in verband hiermee dat de Regeering besloten heeft de
dienstplichtigen van de Regimenten Infanterie en van het
Regiment wielrijders die thans voor oefening onder de wapenen
zijn en eerstdaags huiswaarts zouden keren tot nader order in
werkelijken dienst te houden. De regeering vertrouwd dat het geschil op vredelievende wijze
zal worden opgelost. Ik verzoek de luisteraars dan ook om
wanneer ze straks hunne legerstede opzoeken even rustig te gaan
slapen als ze dat ook andere nachten doen. Er is voorshands nog
geen enkele reden om werkelijk ongerust te zijn. En daarmee,
geachte luisteraars, laat ik U over aan de verpozing die de
radio U pleegt te bieden. Goeden avond.
[9]
In 1923 woonde de journalist George Nypels een jaar in München om het
jonge fenomeen Adolf Hitler in de bierkelders van de stad te bestuderen. Hij scheef in
het Algemeen Handelsblad;
-
Hitler is als massa-opwinder, als partijmaker, iets heel
buitengewoons, van wie men zeer veel verwachten…of vrezen mag. Drie volle uren
lang heb ik hem dingen horen vertellen waarvan slechts een zéér klein
percentage me sympathiek was. En toch heb ik me geen ogenblik verveeld.
In 1933 werd Nypels correspondent voor het Algemeen Handelsblad in
Wenen. Vol afgrijzen beschreef hij de eerste anti-joodse boycotdag in Duitsland en de
opkomst van de Oostenrijkse nazi’s. Na de Anschluss in 1938 verliet hij Wenen:
vrienden en kennissen werden opgepakt, kritisch schrijven was onmogelijk geworden. Vlak
voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij correspondent in Brussel. Hij
staakt zijn journalistieke werk in 1942.
Ook de correspondent van de N.R.C. hoefde niet diep
te spitten om de gruweldaden van het nieuwe regime te documenteren.
Hendrik Jan Noordewier schreef niet alleen voor de NRC maar ook had
hij een geheime bijbaan. Vanaf 1933 schreef hij regelmatig
vertrouwelijke berichten, bedoeld voor een selecte groep van
beleidsmakers, hoge ambtenaren en ministers in Den Haag. Zeker op
Buitenlandse zaken, waar de latere minister Van Kleffens dan nog een
hoge ambtenaar was en op Defensie, werden deze berichten nauwlettend
gelezen. Op zijn minst was Den Haag vanaf 1933 op de hoogte gebracht
van wat er zich afspeelde in nazi-Duitsland. In één van zijn 47
geheime rapporten schreef Noordewier, al in augustus 1933, over
concentratiekampen en hij maakte zelfs - in een kleine opmerking
vooraf - zijn excuses voor de walgelijkheden waarover hij moest
rapporteren. [6]
GS- III A, de militaire afdeling buitenland, onder
leiding van majoor J.G.M. van de Plassche en ondergeschikte kapt. CM
Olifiers, wist veel informatie te verzamelen over de Duitsers,
nieuwe Duitse regimenten, nieuwe vliegvelden. Informatie kwam binnen
via aan de grens geplaatste Marechaussees die goede contacten over
die grens hadden, Duitse kranten bleken een goede bron, Nederlandse
zakenlieden die regelmatig verslag uit kwamen brengen, particulieren
die, gedreven door hun afkeer van het Derde Rijk, vaste contacten
met de dienst onderhielden. GS- III- A wist over de kracht van de
Duitse militaire apparaat adequate inlichtingen bijeen te brengen.
Wat Herr Reichskanzler met dat apparaat van plan was kon men uit al
die waarnemingen eind 1939 nog niet met zekerheid vaststellen. [9]
De Nederlandse regering en vooral de ministers van
Defensie en Buitenlandse zaken in De Haag wisten in grote lijnen wat
er zich in Duitsland afspeelde en veel ontwikkelingen voorspelden
weinig goeds. Van alle kanten kwamen berichten en verslagen binnen. Heel veel informatie kwam ook via de eigen diplomatieke
kanalen. Vooral de Duitse herbewapening die in enorm tempo werd
geforceerd, werd door de legertop als zeer zorgwekkend ervaren, te
meer daar de legerleiding zelf moest vechten voor elke cent die door
Defensie mocht worden uitgegeven. [6]
Wie in de periode 1930-1933 de Münchener Post er op
na sloeg werd over de misdaden van de SA ruim geïnformeerd. De redacteuren beschouwden de nazi's niet alleen als een politiek
verschijnsel, maar ook als een groep gangsters. Uit de informatie
uit die krant bleek dat de SA nauwe banden onderhield met de
onderwereld met alles wat daarbij hoorde: intimidatie, mishandeling
chantage, valsheid in geschrifte en moord en doodslag. [8]
**
De jaren 1936 en volgenden brachten den
Hollanders, "de noodt en de periculen seer claer voor oghen".
De regeringsmaatregelen deden wel het moreel in het
leger stijgen. Houding en stemming van de soldaten die in september
1936 voor legermanoeuvres waren opgeroepen bleken volgens
opperofficieren uitstekend. Ook in dat jaar in werking gekomen
"capitulanten-stelsel", dat verjonging en uitbreiding van
het veel te kleine, vergrijsde korps beroepsofficieren beoogde,
voldeed ondanks de lage beloning vrij goed. Verder was begin 1936 al
de "Vereniging voor Nationale Veiligheid" ontstaan, die in
november van dat jaar het "Luchtverdedigingsfonds"
oprichtte met het doel jonge mannen gratis een opleiding tot vlieger
te geven.

Affiche. Voor de opleiding van vliegers -om de
neutraliteit te versterken- werden particuliere bijdragen gevraagd.
De eigenlijke doorbraak kwam in 1937, toen de
minister Van Dijk - dezelfde van de Dienstplichtwet 1922 - een
defensiebegroting voor 1938 kon indienen, die voor het eerst
belangrijke en kostbare wijzigingen in de wet van 1922 moest
aanbrengen. De Kamer aanvaarde deze. Loting en het
vooroefeninstituut werden uit de wet geschrapt. de lichtingssterkte
werd van 19.500 op 32.000 man gebracht, terwijl de duur van de
eerste oefening van vijf en een half op elf maanden werd gebracht.
Bovendien werd 157 miljoen beschikbaar gesteld voor aankoop van
materieel voor land- en zeemacht.
Ook werd in 1937 overgegaan tot de aanwijzing van
zeventien mobilisabele bataljons infanterie voor een - mogelijke -
en zeer vroegtijdige mobilisatie. De Buitengewone Oproeping
Uitwendige Veiligheid (B.O.U.V.) vond plaats op 27 september. Op 8
oktober konden zij weer naar huis. Zij hadden hun eerste
"wacht" achter de rug en het land haalde opgelucht
adem.
Deze bataljons, samengesteld uit oudere lichtingen -
jonge mannen bleven thuis en kregen wel of niet een werkelozen
uitkering - moesten een "tijdige" bezetting van
belangrijke strategische en tactische objecten mogelijk maken om
tijdens een Algemene Mobilisatie een strategische overval te
keren. Elk van de 24 regimenten vormden een zogenoemd 'grensbataljon' ( het
2e Bataljon) dat deel ging uitmaken van de Strategische Beveiliging.
Samen met de Politietroepen waren er voortaan voor de Strategische
Beveiliging ongeveer 10.000 man permanent onder de wapenen.
Een vijfjaren plan, het Urgentieprogramma, trad in
werking. De verbetering in de duur der eerste oefening betrof, zoals
beschreven, alleen de jongste lichting. Daar ons leger 15 lichtingen
telde zou in 1954 het leger zijn maximum aan geoefendheid krijgen.
Eindelijk konden de zo broodnodige parate troepen
worden gevormd in de vorm van grensbataljons. De inval van de
dictator in Oostenrijk in maart 1938 - de Anschluss - versnelde in
Nederland nog het tempo van de reorganisatie, al moest er
bijvoorbeeld wat de legering der militairen aangaat nogal eens
worden geïmproviseerd.
*
4e Regiment Infanterie.
Lt. Kol. Buurman (C.-4R.I.) ;
[25]
-
De steeds scherper verhoudingen aannemende
politieke toestand in Europa noopte de regeering, nadat de IIe
of z.g. Grensbataljons waren opgericht, tot het nemen van
verschillende maatregelen. Alvorens echter hierop in te gaan, is
het noodig eenige beschouwingen te wijden aan de gevolgen, die
de laatste reorganisaties hadden voor het regiment. Toen dit nog bestond uit den Staf van het regiment en de
Regimentsschool in tijd van vrede, was bepaald, dat bij
mobilisatie deze laatste zou worden opgeheven. Het daardoor vrij
komende beroepspersoneel werd verdeeld over het 4e Regiment
zelf, het daaruit uit oudere lichtingen te vormen 28e Regiment
Infanterie en de uit de dienstplichtigen van de regimentsschool
en voorloopig vrijgestelden te vormen 4e Depotbataljon.
Bij de oprichting van het IIe Bataljon zat de bedoeling voor,
dat in een garnizoen in de nabijheid van de grens te legeren en
het te belasten met de bewaking en verdediging van die grens
tegen een onverhoedse overvalling. 4R.I. zag zich daarvoor toegewezen het stadje WEERT in LIMBURG. Zoodra de dienstplichtige 5½ maand onder de wapenen had
doorgebracht, ging hij voor 6 maanden over naar het IIe
Bataljon, alwaar de oefeningen werden voortgezet. Allereerst
deed zich een gebrek aan officieren en kader gevoelen, het
aanwezige aantal moest nu toch bestemd worden voor twee
bataljons, zoodat de regimentsschool, thans Ie Bataljon geworden
ongeveer de helft van haar instructeurs moest afstaan, terwijl
er reeds een tekort was, dat zeer veel luitenants bevorderd
werden tot kapitein, waardoor een groot gebrek aan luitenants
ontstond. Hetzelfde deed zich voor in de onderofficiersrangen.
De ontbrekende plaatsen op de onderste sporten van den
militairen ladder werden ingenomen door vrijwillige opkomst van
dienstplichtig en reserve personeel, waarvan de oefeningen
noodzakelijkerwijze nadeel moesten ondervinden. Een tweede
gevolg was, dat in geval van mobilisatie het vrijwillig
personeel nog meer verwaterd werd dan reeds het geval was. Het
beroepspersoneel toch van de twee oorspronkelijke compagnieën
moest binnen korte tijd worden verdeeld over acht bataljons,
terwijl reeds de helft was bestemd voor het grensbataljon.
*
De jongste legeruitbreiding herstelde het
bataljonsverband door de oprichting van de z.g. grensbataljons.
-
Van de moderne infanterie wordt heel wat meer
kennis en vaardigheid geëist, dan in de dagen, dat een
infanterist volleerd was, indien hij kon marcheren, schieten met
zijn geweer, en zijn verplichtingen in de velddienst en
garnizoensdienst kende. Een infanterie-regiment bestaat thans uit tirailleurs,
bedieningsmanschappen van de zware mitrailleurs, bediening van
de mortieren, telefonisten, en optische seiners. Bij de tirailleurs kent men geweergroepen en mitrailleurgroepen.
De mitrailleur is het hoofdwapen van de infanterie
geworden. De tirailleurs leren de behandeling van het
geweer en van de z.g. lichte mitrailleur. De lichte mitrailleur
wordt door de man gedragen; het wapen heeft luchtkoelingen heeft
een vuursnelheid van 3 à 400 schoten per minuut en schiet
tot 1000 meter. Bij de mitrailleur behoort een lichte
drievoetaffuit. Een compagnie infanterie heeft 8 lichte
mitrailleurs. Van niet minder belang voor de moderne infanterie
is de opleiding van het verbindingspersoneel. Dat zijn de
telefonisten, optische seiners. telefoonherstellers en
ordonnansen. Zij moeten een grote vaardigheid hebben in
het telefonisch overbrengen van berichten, in gewoon- of
geheimschrift. In het optisch seinen met vlag of met sluiter of
met seinlamp in Morse- en geheimschrift, en in het leggen van
veldkabels, inschakelen van telefoontoestellen. Ook het seinen
naar vliegtuigen met behulp van een z.g. U-seinlamp, het seinen
met een lichtpistool en het verzenden van berichten per postduif
behoorde tot de vaardigheden der verbindingsdienst.
Inspectie 4GB
Er bleven tekortkomingen. Lt.Gen. J.J.G. baron van
Voorst tot Voorst (C.-Veldleger.), bracht in april 1938 een
inspectiebezoek aan de vier weken tevoren gevormde IIde bataljons
(Grensbataljons), speciaal om zich op de hoogte te stellen van hun
legering en oefening. Hij zag "veel goeds", maar had ook
de volgende waarneming te rapporteren: [9]
-
In een garnizoen beantwoordde de cantine niet
aan de meest elementaire eisen. In een ander garnizoen waren -
na een maand - nog geen cantines. Ik zag een
onderofficiersverblijf waar de kaalheid en ongezelligheid een
stellige reden was dat hiervan geen gebruik werd gemaakt... In enkele garnizoenen werd in de open lucht (zonder afdek dus)
gekookt in veevoederfornuizen, in andere at de troep nota bene
nog steeds uit de keukenwagen zodat een goed en afwisselen menu
voor het middageten niet was gewaarborgd... In een garnizoen was
- na een maand - door de troep nog niet gebaad... In een
garnizoen had de troep na een maand nog niet geschoten omdat
geen schietschijvenmateriaal was. Aan geïmproviseerde schijven
was niet gedacht.
Het grote publiek in Nederland bleef evenwel lauw en
gereserveerd tegenover de grotere defensie inspanningen. Slechts een
zeer kleine minderheid van de bevolking had oog voor de dreiging die
vanuit het oosten in de lucht hing. De overgrote meerderheid liet
zich zand in de ogen strooien of hield deze gesloten.
Van goede informatie werd de Nederlander niet
voorzien. De pers legde zichzelf een censuur op, men moest neutraal
blijven. De regering meende (het was een inzicht dat de meeste
hoofdredacteuren deelden), dat het verstandig was, in de
berichtgeving een zekere neutraliteit in acht te nemen en, voorzover
men al van antipathieën blijk gaf (meest waren dat antipathieën
jegens het Derde Rijk), dat te doen in termen die niet te zeer
aanstoot zouden geven. Er werd veel met gedempte toon geschreven - er werd ook veel niet
geschreven. Men meende met die zelfbeperking 's lands belang te
dienen. Nog was Hitler een - bevriend - staatshoofd, iets onaardigs
zeggen over deze persoon was dan ook een belediging en werd als
zodanig vervolgd en bestraft. [9]
Vanaf 1930 mochten uitzendingen van de verschillende radio-omroepen
"niet in strijd zijn met de veiligheid van den staat, de
openbare orde of de goede zeden". Drie commissies waaronder de
Radio Omroep Controle Commissie bekeken vooraf of de uitzendingen
van de omroepen door de beugel konden.
*
Modernisering bewapening.
Daar wij geen wapenindustrie van enige betekenis
bezaten moest het meeste materieel in het buitenland worden besteld,
waar de wapenfabrikanten echter al tot hun oren in de orders zaten.
Nederland bleek te laat in de wapenrace gestapt te zijn. Zo bleek
men tijdens de Sudetencrisis in 1938 over vijfentwintig totaal
verouderde en slechts twintig relatief moderne vliegtuigen te
beschikken. Zowel in het buitenland als bij Fokker, Koolhoven en
Aviolanda werden orders voor nieuwe vliegtuigen geplaatst. De
moeilijkheid daarbij was weer dat veel materiaal voor de
vliegtuigbouw uit het buitenland moest komen.
[7]
Het nieuwe inzicht leidde onder meer tot een verdere
motorisering van het leger. Hiervoor kwam allereerst de Lichte
Brigade in aanmerking. Dit had tot gevolg dat in deze eenheid geen
plaats meer zou zijn voor de bereden batterijen van het Korps
Rijdende Artillerie. Op 2 mei 1938 besliste de minister van Defensie
dat bij het korps de paardentractie geheel diende te verdwijnen. Dit
voornemen tot volledige motorisering stuitte binnen het korps op
veel verzet. Gevreesd werd dat de geestelijke en morele waarden er
ernstig door zouden worden aangetast. De korpscommandant lt.kol. de
Haan pleitte ervoor om het afschaffen van paarden bij het K.R.A. in
ieder geval zo lang mogelijk uit te stellen. Er was meer verweer,
want de essentie van de Gele Rijder was, vonden ingewijden, dat hij
náást artillerist ook een ruiter was. De minister liet zich niet
vermurwen. Hij hield vast aan de in 1938 ontworpen
oorlogsorganisatie, die was vastgesteld op drie gemotoriseerde
afdelingen, twee met de 7-veld en één met de 10,5 cm houwitser. De
Fordsontrekkers die nodig waren voor het motoriseren van I-K.R.A.
arriveerden pas in de eerste week van mei 1940. Volgens de beschikking van de min. v. Def. van 20 maart 1939 moest
bij het op voet van oorlog brengen van het leger uit het korps ook
een depot-afdeling worden samengesteld. Deze opleidings- en
aanvullingseenheid werd in Oegstgeest geplaatst en stond onder
commando van de inspecteur der Artillerie.
Met de aanschaf van moderne vliegtuigen was men
voorzichtig. Colijn wees op het grote gebrek aan geschikte piloten
in Nederland. Een ander probleem was de snelheid waarmee de
luchtvaart zich in die jaren technisch ontwikkelde. Colijn was bang
dat duur ingekochte vliegtuigen na een paar jaar weer als verouderd
bij het schroot gezet konden worden. De aanschaf van vliegtuigen
moest dus geleidelijk gebeuren. Terecht beducht voor het luchtgevaar gaf de regering in 1937 haar
goedkeuring aan een ambitieus vierjarenplan voor de opbouw van een
militaire luchtvaart. Samen met de luchtdoelartillerie werd de
verdediging van het luchtruim georganiseerd in een commando
luchtverdediging onder deskundige leiding van kolonel P.W. Best.
[17]
Dat was nodig want toen, tijdens de Sudetencrisis, zesentwintig batterijen
luchtdoelartillerie werden gemobiliseerd, bleken voor heel Nederland
in totaal zegge en schrijven drie batterijen tot vuren in staat!
Toch presteerde ons land het, door
koortsachtige aankopen
, op 10 mei 1940 liefst 355 luchtafweerkanonnen in
stelling te hebben, terwijl al deze vuurmonden bovendien een
deskundige bediening hadden. [7]

In 1939 en 1940 probeerden vermogende particulieren
uit handel en industrie een
eigen luchtafweer
te organiseren. Daarbij werden hun werknemers
ingeschakeld. Via speciale inzamelingsacties deed men een beroep op
burgers van de grote steden om een financiële bijdrage te leveren.
Ook
's Gravenhage wilde geen bommenwerpers in haar luchtruim en financierde
vier luchtdoelmitrailleurs. Aan de bevolking werd gevraagd geld te
storten op Giro 10428 voor de resterende negen luchtdoelmitrailleurs.
Alles bij elkaar bracht de luchtdoelartillerie op 1
mei 1940 niet minder dan 10.000 man te velde. Ook in de opleiding
van officieren kwam sinds 1938 weer schot, hoewel er nog veel te
korten bleven.
**
Kristalnacht.
Tijdens deze Kristalnacht, van 9 op 10 november 1938, werden in
Duitsland bijna tweehonderd joden omgebracht en duizenden joodse
winkels geplunderd en beklad. Ruim 260 synagogen gingen in vlammen
op. Ruim 30.000 Joden werden opgepakt en naar concentratiekampen
afgevoerd.
***
1939
Op 9 januari 1939 vierde het 4e Regiment Infanterie
haar 125 jarig bestaan.
De courant "Het Vaderland" op 10 januari
hierover :
-
Leiden. Met opgewektheid is gisteren het 125-jarig bestaan van het 4e
Reg. Infanterie gevierd, zoowel van militaire zijde als door de
burgerij, wier verhouding tot de mannen van het 4e steeds een
zeer vriendschappelijke is geweest. Onder de reunisten, die voor
den jubileumdag waren overgekomen, behoorden generaal Duynmaer
van Twist, die in 1889 als jong luitenant bij het 4e diende, de
gep. generaal Zeeman, in de mobilisatiejaren kapitein, prof. van
Dorp en als oudste reunist de 91-jarige Arie van Rijn uit
Leiden: in totaal waren 563 reunisten opgekomen. De
"commandant van het vierde", overste M. van Mens, had
zich in hoofdzaak met de voorbereidende maatregelen van de
feestelijke herdenking belast en trad den geheelen dag, naast
den huidigen commandant, overste H.D. Buurman, als gastheer op. Nadat te 7 uur reveille was geblazen en een gemeenschappelijke
koffiemaaltijd was gebruikt, verzamelde men zich op het terrein
van het Militair Hospitaal aan den Morschsingel, waar generaal
Duymaer van Twist, den oudsten reunist, den heer Van Rijn, een
lint met een herinneringsmedaille om den hals hing. Vervolgens
werden twee kolonnes geformeerd, namelijk een stoet van
reunisten, voorafgegaan door het Politiemuziekgezelschap onder
leiding van den heer Bolderdijk, en een stoet van de huidige
manschappen van het 4e, voorafgegaan door de Kon. Militaire
Kapel onder commando van kapitein dr. C.L. Walther Boer, het
geheel onder leiding van majoor P.D. Ravelli. Beide kolonnes trokken de vroolijk bevlagde stad door en langs
de Lakenhal, waar zich verschillende militaire en burgerlijke
autoriteiten hadden opgesteld. Van het college van B. en W.
waren vertegenwoordigd de burgemeester. mr. A. van de Sande
Bakhuyzen, de wethouders Tepe, Van Stralen en Verwey, de
gemeentesecretaris, mr dr C.E. van Strijden, voorts de
luit.-kol. Van Hillen namens den commandant der 1e divisie,
generaal jhr Alting van Geusau, kolonel Bisschof van Heemskerk,
commandant der 1e Inf. Brigade, majoor Tibo, van de staf der
Brigade, de kolonel van den generalen staf, M.W.L. van Alphen,
den gep. gen. Zeeman, de legerpredikant da E.L.Nauta, de
ommandant van het 6e Reg. Veld Art. overste A. L. Drijfhout van
Hooff en de commandant van het jubileerende reg. overste H.D.
Buurman. Na het defilé ontving het gemeentebestuur de militaire
autoriteiten in de Lakenhal, waar de burgemeester de
gelukwenschen van de Leidsche burgerij overbracht. Op het terrein van den Morschsingel bood overste M. van Mens
namens de oud-gedienden een bronzen gedenkplaat aan ter
plaatsing in de Morschpoortkazerne. In de middaguren bood het gementebestuur het regiment en de
reunisten een bioscoopvoorstelling in de Stadsgehoorzaal aan,
terwijl de commandant op het regimentsbureau receptie hield. Na
de feestdiners, welk door manschappen, onderofficieren gehouden
werden, vereenigde men zich in de Stadsgehoorzaal, waar een
avondfeest is gehouden.
*
Buitengewone
Oproeping Uitwendige Veiligheid BOUV
Tijdens de Sudetencrisis werd Telegram O uitgegeven, de
eerste stap naar een mogelijke algemene mobilisatie. Het onweer trok
echter over, maar niet voor lang. Op 15 maart 1939 bezetten de Duitsers Tsjechoslowakije
en op 23 maart het Memelgebied. Toen een andere schurk uit
Italië op 7 april Albanië binnenviel drong de legertop en de koningin aan op een
algemene mobilisatie, Colijn weigerde vierkant, een algemene mobilisatie
vond hij te duur en het gevaar voor Nederland niet acuut. ZIJ stemde toe met
beperkte mobilisatiemaatregelen. Telegram O werd opnieuw uitgegeven, de 2e B.O.U.V. trad in werking. Als compromis werden niet minder dan achtentwintig
bataljons opgeroepen
en in totaal omvatten de genomen veiligheidsmaatregelen zelfs zo'n 100.000
man. De grenzen werden nu naar alle kanten tegen een overval bewaakt door de z.g.
Reserve Grens Compagnieën.
Het hoge tempo waarmee in 1939 de herbewapening werd
opgevoerd - het Defensiefonds werd verhoogd tot honderd miljoen - laat
zien dat de geruststellende woorden van de regering slechts schijn waren. De
retoriek kwam steeds meer in tegenspraak met de genomen defensiemaatregelen.[17]
Des nachts op 11 april, Kreeg 't vaderland een gril.
Dit waren de eerste regels van een lied gemaakt naar
aanleiding van het feit dat een aantal grootverlofgangers van het 4e
Regiment Infanterie in de vroege morgenuren van de 11e april in 1939
een telegram ontvingen waarin hen werd medegedeeld dat zij zich per
eerste gelegenheid bij hun onderdeel in de Morspoortkazerne te
Leiden dienden te melden. (2e BOUV) Hier kregen zij te horen dat zij bij de 4e Reserve Grens Compagnie
waren ingedeeld. Dit betekende dat de opgeroepenen feitelijk dit
onderdeel gingen vormen. Grenscompagnie? Dat betekende een behoorlijk eind van huis. Maar tot
hun verbazing en opluchting bleek de grens aan de Noordzee te
liggen.
Om de neutraliteit te demonstreren, naar wellicht
onze oosterburen, werd niet alleen de oostgrens maar nu ook de
westgrens bewaakt. In Katwijk werd de helft van de compagnie gelegerd alsmede het
bureau van de commandant kapt. Hoogh, de foerier en de
menagemeester. De andere helft werd verdeeld over Noordwijk,
Noordwijk-Radio (NORA), bij Noordwijkerhout en na enige maanden ook
een klein detachement aan de Wassenaarse Slag. Om de kuststrook te beveiligen tegen aanvallen vanuit zee werden in
de duinrand loopgraven en mitrailleursnesten aangebracht. In Katwijk
voor het toenmalige hotel "Du Rhin", aan het einde van de
boulevard bij de uitwatering en aan de andere zijde van die
uitwatering.
- "We waren", schreef sergeant
Alphons Delforterie (4 Res. G.C.)
*
Ondanks de op gang gekomen inspanningen konden vele
maatregelen niet meer op tijd worden uitgevoerd. De langdurige
verwaarlozing van het defensieapparaat kon niet meer worden
goedgemaakt. Die geringe waarde was ook de Duitsers niet ontgaan en de
gevechtskracht werd niet hoog aangeslagen. De Duitse militair
attaché in Nederland, Friederich-Carl Rabe von Pappenheim, kwam na
in 1938 de Nederlandse manoeuvres in het Olympisch stadion te
Amsterdam te hebben bijgewoond tot een vernietigende oordeel hetwelk
hij aan zijn superieuren meldde; [29]
-
Die Truppe gab sich ziemlich Mühe. Trotzdem gab
es für das Auge des deutschen Soldaten Bilder von grosser Komik.
Über diese Manöver ist weinig zu zagen. Sie waren vom
Standpunkt eines modernen Soldaten gesehen nichts mehr als ein
Witz und nicht einmal ein guten, mit Kavallerie-Attacken und
Infanterie Angriffen, mit eintrollten Fahnen und so weiter.
Ook schreef hij aan het nazi-bewind dat het
Nederlandse leger niet tot enige offensieve actie in staat achtte.
Zijns inziens zou ons leger zich defensief hooguit een week kunnen
handhaven en dan alleen in een voorbereide stelling.
[7]
Zeer weinig vertrouwen in de kracht van de
Nederlandse defensie toonde ook de Engelse militairdeskundige B.H.
Liddell Hart. Deze bracht zijn mening tot ontsteltenis van de
Nederlandse militaire autoriteiten in zijn vele publicaties
uitvoerig naar voren.
Bijgaande prent gaf aan hoe men in Australië over
de Nederlandse defensie dacht. Uit Smith's Weekly, Sidney.

*
Toen op 23 augustus 1939 het Duits-Russisch akkoord
werd gesloten ging in ons land voor de derde maal het Telegram A
uit. [7]
Van vijandelijkheden tussen de Fransen in de bunkers
van de Maginotlinie en de Duitsers in die van de Westwall
daartegenover was op dit moment nog geen sprake. Hitler voerde -met
een dubbele agenda- nog een diplomatieke strijd. Een Sitzkrieg
noemden de Duitsers al gauw deze situatie, met een spottende
verwijzing naar de Blitzkrieg waar ze op voorbereid waren. Drôle de
guerre, zeiden de Fransen hoofdschuddend, een rare oorlog. Ook de
Engelsen hadden hun eigen term; phoney war. Churchill bedacht een
nog beeldender naam; Twilight war.
*
|