Vóór de oorlog

Voorspel

Zien we er nu op terug, dan moeten we vaststellen, dat het onheil dat toen over ons land kwam, zich al op 30 januari 1933 in Duitsland aftekende toen Hitler de dictatuur verwierf. 

De aanstichter van de tweede- in de eerste wereldoorlog.

Voor hem gold niet de heiligheid van een belofte, voor hem was elke handeling, zedelijk of onzedelijk, geoorloofd, als zij slechts voordeel bracht. Geheel de tendens van zijn boek “Mein Kampf” gaat van dit principe uit.

 

INTERBELLUM.

Duitsland.

De geallieerden hadden na de eerste wereldoorlog de Republiek Duitsland in het verdrag van Versailles zeer zware vredesvoorwaarden opgelegd. Van juridisch belang waren artikel 231 van het verdrag, waarin Duitsland de verantwoordelijkheid – maar niet de schuld – voor de oorlog kreeg, en artikel 232, waarin stond dat Duitsland naar vermogen herstelbetalingen moest doen. De hoogte van de herstelbetalingen werd pas na lange onderhandelingen in 1921 vastgesteld op 132 miljard goudmark, een bedrag vergelijkbaar met 47 miljoen kilo goud, te betalen in 66 jaartermijnen, aan met name Frankrijk, Engeland, Italië en België. [89]

Ook werd geëist de vernietiging van alle wapens, uitlevering van de slagvloot en het verbod van een luchtwapen. Wel was hun toegestaan een landleger van 7 infanteriedivisies en 3 cavaleriedivisies, vormende twee legerkorpsen. Het gebied van de linker Rijnoever werd voor een duur van maximaal 15 jaar bezet door geallieerde troepen.

Door het verdrag (28 juni 1919) raakte Duitsland een zevende van zijn grondgebied en een tiende van zijn bevolking kwijt. Frankrijk annexeerde het in 1871 verloren Elzas-Lotharingen, het Saarland kwam onder bestuur van de Volkenbond te staan en grote delen van West-Pruisen en Posen gingen naar de kersverse republiek Polen. Ook verloor Duitsland al zijn koloniën. Naast een verlies aan grondgebied en mensen betekende deze bepalingen ook een zware aderlating voor de Duitse industrie: een flink deel van de steenkolen- en staalproduktie ging verloren. Verder werd het Duitse leger beperkt tot honderdduizend man. In het beruchte artikel 231 uit het Verdrag tenslotte werden Duitsland en haar bondgenoten aansprakelijk gesteld voor alle schade en verliezen die zij tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden veroorzaakt. Het was vooral Frankrijk geweest dat tijdens de onderhandelingen over het Verdrag had gehamerd op een harde aanpak van Duitsland. 

*

Nederland


Het Nederlandse volk en regering voelden zich hierbij bijzonder veilig. Duitsland was ontwapend en stond onder zware geallieerde controle. Het gevoel van veiligheid werd nog vergroot door de oprichting van de volkenbond waar Nederland zich in maart 1920 aansloot. ( In 1934 werden Nederlandse mariniers naar Saarbrücken gestuurd in het kader van de Volkerenbond.)
 
De Amerikaanse president Woodrow Wilson was de drijvende kracht achter de oprichting van de volkenbond, maar Amerika deed uiteindelijk zelf niet mee omdat het de vrije hand wilde hebben en niet gebonden wilde worden. Zo was de volkenbond eigenlijk al bij de oprichting mislukt en kon zich niet ontwikkelen tot een internationale organisatie die conflicten vreedzaam kon oplossen. Dat werd onmiddellijk duidelijk toen Hitler aan de macht kwam. [6]

De groeiende afkeer tegen militair geweld, waarvan de gruwelijke verschrikkingen van de loopgravenoorlog in hun volle omvang bekend werden gaven het aanzien van verschillende pacifistische bewegingen. Deze bewegingen kwamen alle tot de conclusie, dat de militaire uitgaven moesten worden beperkt. Ook buiten de volksvertegenwoordiging kwamen deze stromingen tot uiting in de vorm van talloze gedragen "gebroken geweertjes". [7]

Voor alle duidelijkheid : de SDAP (de voorloper van de PVDA) was tot augustus 1939 een oppositiepartij die geenszins invloed had op de bezuinigingen op 's lands defensie en heeft dus niet, zoals wel eens makkelijk en abusievelijk wordt aangenomen, bijgedragen aan de verslechtering van 's lands defensie. 

De Nederlandse staatsschuld was in vijf jaar tijd tot bijna twee miljard gestegen. Een astronomisch bedrag voor toen. De scheepvaart lag bijna stil en de industrie was weggekwijnd. De 'nooit meer oorlog' stemming deed zich ook op partijpolitiek en religieus terrein gelden. 

Op straat kregen de officieren in uniform meer dan eens de term 'landopvreter' naar hun hoofd geslingerd. Minister H.P. Marchant van de Vrijzinnig-Democratische Bond ging zelfs in de Tweede Kamer zover te zeggen 'dat het beroepskader moest worden uitgebrand'. Bij dit alles kwam nog dat het Nederlandse volk ook al vóór 1914 bepaald geen hoge dunk van het beroepsleger had. Eerbied voor de militair zoals in de ons omringende landen was er bij ons nooit geweest. Een en ander versterkte natuurlijk nauwelijks het toch al niet zo hoge moreel in de strijdkrachten.[7]

Met liefst 71 tegen 9 stemmen besloot de Kamer om 10.000 van de 23.000 man van de lichting 1921 niet op te roepen. Aan de forten werd al geruime tijd niet meer gewerkt. Dit had, tussen haakjes, tot gevolg dat de verdedigingswerken van de Vesting Holland er in 1939 nog zo bij lagen als in 1890.[7]

Op 14 december 1921 wist de nieuwe minister van Oorlog, J.J.C. van Dijk, de Dienstplichtwet 1922 door de Tweede Kamer te loodsen die zestien jaar niet werd veranderd. Gezien de economische problemen waar de regering voor stond was het een redelijk compromis maar de daarin toegezegde verbeteringen werden nimmer gerealiseerd wat gevolgen kreeg die tot in 1940 hebben doorgewerkt. De wet mocht dan een aanvaardbaar compromis zijn maar voor het leger kwam zij uiteindelijk neer op een grote achteruitgang.

  • De eerste oefening werd van acht op vijf maanden teruggebracht.

  • In zg. "vooroefeninstituten" konden de dienstplichtigen hun opleiding buiten de kazerne krijgen waardoor de dienstplichtige slechts 1,5 maand daadwerkelijk in de kazerne doorbracht.

  • De lichtingsterkte werd van 23.000 man teruggebracht naar 19.500.

  • De infanteriesectie van van vier groepen werd teruggebracht tot drie.

Ook het vestingstelsel werd gereorganiseerd. Gevormd werd de Vesting Holland met het oostfront Muiden-Utrecht-Gorkum, het zuidfront Biesbosch - Hellevoetsluis, het westfront aan de Noordzeekust en het noordfront Wijk aan Zee - Edam. De bestaande vestingwerken die buiten de Vesting Holland en de Stelling van Den Helder vielen werden in 1926 grotendeels opgeheven en nieuwe werken werden daar niet meer gebouwd.

Om het oorlogsleger te bemannen waren niet meer dan vijftien lichtingen nodig. Dat betekende dus dat oudere dienstplichtigen : huisvaders van omstreeks 35 jaar terstond bij een mobilisatie te velde kwamen. Doordat de dienstplichtigen, ondanks hun uiterst summiere eerste opleiding van vijf en een halve maand, de laatste negen jaar van groot verlof niets meer van de dienst zagen, bleef er van het geleerde na vijftien jaar natuurlijk bitter weinig over. Ook de eerste oefening en de herhalingsoefeningen voor reserve officieren waren tekort. Door de nieuwe organisatie halveerde het aantal beroepsofficieren en de onderofficieren tot minder dan de helft.

Het kwam er kort en goed op neer dat Nederland in vredestijd in feite geen leger bezat, doch slechts een verzameling van schooleenheden, twee bataljons per regiment infanterie. De totale numerieke sterkte van de Landmacht, militairen in opleiding plus de beroepsmilitairen, bedroegen nauwelijks meer dan 20.000 man. [7] Het aantal beroepsofficieren van de landmacht liep gestadig terug: van 1050 in 1918 tot 625 in 1936.[9]  

*

Bezuinigingen

In de daarop volgende jaren kwamen er in Nederland nog tal van bezuinigingen bij, waar links en rechts in de politiek eendrachtig aan meewerkten. In 1923 werd de roemruchte "Vlootwet", welke in een versterking van de Indische vloot voorzag, door de kamer verworpen. Te duur. De regering bood haar ontslag aan. Wel werd er nog eens een bezuiniging van tien miljoen gulden voor het beroepspersoneel doorgevoerd.

*

In 1927 bedroeg de oorlogsbegroting slechts 59 miljoen gulden, waarvan later nog het een en ander zou worden afgeknabbeld. De wereldcrisis die in 1929 inzette, leidde tot verdere bezuinigingen. Twee jaar later werd een deel van het beroepspersoneel op non-actief gesteld.
Het nieuw gevormde Ministerie van Defensie besloot in 1931 en 1932 geen legeroefeningen te houden en de herhalingsoefeningen uit te stellen.
Eind 1930 waren er in Nederland rond de 250.000 werkelozen. In 1936 bereikte het aantal werklozen een wel droevig hoogtepunt met om en nabij 630.000 geregistreerde werklozen (23,5 %).
Niet in cijfers te vangen is de daarmee samenhangende ellende.

Omstreeks 1931 noopten de economische omstandigheden tot ingrijpende bezuiniging op de rijksuitgaven. Aan de "commissie Welter" werd opgedragen de regering daaromtrent te adviseren.
In haar rapport was deze commissie evenwel van mening; [10]

  • "Dat op de defensiebegroting reeds zodanig was bezuinigd dat met behoud van de bestaande organisatie geen mogelijkheden tot bezuiniging op grote schaal meer aanwezig waren."

Zij achtte verdere beperking van kredieten voor aanschaffing van materieel enz. niet verantwoord en een verhoging bij de landmacht zelfs noodzakelijk.

In het najaar van 1933 was de nieuw geïnstalleerde bezuinigingscommissie "Idenburg" evenwel gekomen tot een bezuiniging van 102 miljoen op een begroting van 587 miljoen gulden. Waarbij hun tevoren was medegedeeld dat de bedoelde commissie de voorstellen moest doen en de beoordeling van de toelaatbaarheid aan de regering over moest laten
Voorgesteld werd o.a. een salarisverlaging van 13 % voor ongehuwde en 8 % voor gehuwde ambtenaren en een verlaging van de werklozensteun met 15 %. 

 

Uit een stripverhaal (1935) over het leven van Colijn van Leendert Jordaan (1885-1980)

*

De omwenteling

In München leidde op 29 januari 1923 de partijleider Hitler, een voormalige gefreiter uit Bohemen, de eerste Reichsparteitag van de NSDAP in. Hij hield een onstuimige rede, waarin hij de opzegging van het verdrag van Versailles eiste. Overal had de partij voor vlaggen gezorgd en de deelnemers ( 6000 man SA) aan het congres liepen met armbanden waarop het partijteken, het hakenkruis, stond. 
De wereld zou nog van hem horen. Maar eerst moest het Duitse volk van haar democratie afgeholpen worden om zijn verwerpelijke ideeën in praktijk te kunnen brengen. 

Een poging van de partijleider om op 9 november van dat jaar in Beieren de macht te grijpen mislukte. Er vielen 16 doden.
Op 1 april 1924 werden de plegers in een "Volksgericht" in 24 procesdagen tot een milde straf van 5 jaar veroordeeld. De NSDAP werd verboden, welke in 1925 weer werd heropgericht. Gevangen, dankzij de familie Wagner in alle comfort overigens, in cel 7 van de vesting Landsberg aan de Lech schreef hij met behulp van Rudolf Hess zijn boek Mein Kampf, een geschrift vol haat en opruiing. 

In 1925 stond de partijleider met zijn boek echter al weer op straat. Intussen hadden de Fransen in 1924 het Ruhrgebied verlaten. Er was een overeenkomst gekomen over de Duitse herbetalingen.

 

Verkiezingen nov. 1932.

Ondanks het feit dat Hitler door Von Hindenburg in de verkiezingen was verslagen, werd hij door de bemiddeling van industriëlen en bankiers en de steun van Von Papen op 30 januari 1933 door Von Hindenburg benoemd als Rijkskanselier (minister-president). Men dacht de macht van de NSDAP door opname in de regering in te kapselen. 
Hij NAM dus niet zelf de macht : hij KREEG die macht van Von Hindenburg!
Uit angst voor het ‘rode gevaar’ steunde een deel van de elites een fascistische machtsovername.

 

Rijksdagbrand. [12]

Op 27 februari 1933 stond plotseling, hoogst waarschijnlijk met medeweten van naziekopstukken, het eerste Duitse gebouw in brand, het rijksdaggebouw. 

Na een chaotisch "bruin" proces werd uiteindelijk een jaar later de van communistische sympathieën verdachte Nederlander Marinus van der Lubbe als schuldige aangewezen en ter dood veroordeeld.

Het was Erich Eyck, de geschiedschrijver van de Weimarepubliek, die in verband met Hitler een passage - een universele passage is gebleken! - aanhaalde uit Goethe’s autobiografie waarin deze, vermoedelijk vooral beïnvloed door het gadeslaan van Napoleons opkomst en ondergang, geschreven had over menselijke persoonlijkheden waarin een geheimzinnige, demonische kracht domineerde: [9]

  • Het zijn niet altijd de voortreffelijkste mensen, noch aan geest noch aan talenten, en zelden bekoren zij door de goedheid des harten; maar een geweldige kracht gaat van hen uit en zij oefenen een ongelooflijke attractie uit op alle menselijke wezens…. Alle verenigde zedelijke krachten zijn jegens hen machteloos; het is vergeefs, dat het deel van de mensheid dat meer inzicht heeft, hen verdacht wil maken als bedrogenen of als bedriegers - de grote massa wordt door hen aangetrokken. Zij zijn door niets anders te overwinnen dan door het heelal zelf waarmee zij de strijd aanbonden -

Ook zijn de eerste acties begonnen tegen de Joodse bevolking. Er werd een algemene oproep gedaan om Joodse zaken te boycotten. In ijltempo werden op sleutelposities in de regering en in de deelstaten nazi's benoemd, tegenstanders werden middels schijnprocessen achter de tralies gezet of, als dat niet lukte, simpelweg vermoord. De macht van de deelstaten werd volledig ondergeschikt gemaakt aan het centrale gezag in Berlijn.

 

Humorloos, verbitterd en rancuneus. Hem ontbraken menselijke kwaliteiten, was onbetrouwbaar en had geen duidelijke morele principes.

 

Na het overlijden van Rijkspresident Hindenburg op 2 augustus 1934 eigende hij zich middels een "volksstemming" - 90% stemden voor - de functie van Hindenburg toe als Rijkspresident en was voortaan Führer und Reichskanzler. In vage vorm deed hij zijn plannen voor "Lebensraum" uit de doeken. 
Zijn populariteit zou nog verder groeien door zijn omvangrijke werkgelegenheidsprogramma's, de daaraan gekoppelde herbewapening en de "terugkeer" van het Saarland en het Rijnland.

 

Hernieuwd inzicht.

Si vis pacem, para bellum.

Ongerust was men geworden in Nederlandse officierskringen, met name die van de Hogere krijgsschool. Een daar in de winter van '34-'35 uitgevoerde strategische oefening op de kaart had duidelijk gemaakt dat ons land tegen een onverhoedse aanval van Duitsland vrijwel weerloos zou zijn. De directeur van de Hogere Krijgsschool bracht dit in "geheime persoonlijke brief" ter kennis aan de chef van de generale staf de lt. gen. l Reijnders. [7]

Reijnders hield een Duitse strategische overval niet voor waarschijnlijk. Hoewel hij vond dat de Commandant Veldleger en de Hogere Krijgsschool spoken zagen, nam hij deze brief :

De Nederlandse Regeering dient er bij het treffen van hare maatregelen van uit te gaan, dat binnen afzienbaren tijd zij, onafhankelijk van haar wil, niet slechts in een West-Europeschen oorlog kan worden betrokken, ten gevolge van een doortocht door ons gebied, doch dat daarbij van den aanvang af ernstig rekening moet worden gehouden met een directe bedreiging van ons onafhankelijk volksbestaan.  Het was dus dringend nodig uitgebreide maatregelen ter opvoering van de sterkte van het leger te nemen, als hoedanig de Chef van den Generale Staf voorstelde: Uitbreiding van het contigent tot 30.000 man, Vorming van een permanent aanwezige kern van geoefend personeel, Vorming van een bataljon pantserwagens, Invoering van infanteriegeschut met munitievoorraad, Ruimere aanschaf van vliegtuigen, aanschaffing van modern luchtdoelgeschut met munitie-uitrusting, Het leggen van infanteriegarnizoenen in Doesburg, Zutphen en Deventer, Voorbereiden van een vernielings- en versperringsplan en het aanbrengen van permanente ladingen in bruggen over de IJssel en Maas en deze door politietroepen te bewaken en zoonodig met de vernieling te belasten.

"het urgentieprogramma", toch als uitgangspunt voor een reeks vergaande plannen, die hij in februari 1935 bij de minister Deckers van defensie indiende. Waarschijnlijk gebruikte hij het als argument om meer fondsen te verkrijgen. [16] 

De voorstellen werden wegens geldgebrek vrijwel volledig afgewezen.  Alleen verklaarde de minister zich bereid om het Korps Politietroepen met ongeveer 400 man uit te breiden voor grensbewaking en het vrijwillig laten nadienen van enkele honderden dienstplichtigen. [18]

*

Voortschrijdend inzicht bracht in Nederland in politieke en militaire kringen langzaam maar zeker het gevoel dat er wat aan defensie gedaan moest worden. Maar dat werd pas in 1937 in concrete daden omgezet.

Aan dat voortschrijdend inzicht droeg de Duitse dictator ongewild aan bij met de bezetting van het Rijnland op zondag 7 maart 1936. Wéér gokte hij er op dat Frankrijk en Engeland niet zouden ingrijpen. 

Nadat Duitse troepen de "Wacht am Rhein" hadden betrokken liet minister-president Colijn reeds op 11 maart in een radiotoespraak weten dat een deel der dienstplichtigen die met groot verlof zouden gaan, tot nader order (vijf weken) onder de wapenen moesten blijven. Aan het slot van zijn toespraak sprak hij zijn berucht geworden vaderlijk advies aan ons volk om toch vooral maar rustig te gaan slapen. [7]

  • Uit de uitvoerige berichten en beschouwingen die in de laatste dagen in onze dagbladen verschenen heeft ook het Nederlandsche volk kunnen vernemen dat de politieke spanningen in Europa weer grooter zijn geworden. 
    Het is in verband hiermee dat de Regeering besloten heeft de dienstplichtigen van de Regimenten Infanterie en van het Regiment wielrijders die thans voor oefening onder de wapenen zijn en eerstdaags huiswaarts zouden keren tot nader order in werkelijken dienst te houden.
    De regeering vertrouwd dat het geschil op vredelievende wijze zal worden opgelost. Ik verzoek de luisteraars dan ook om wanneer ze straks hunne legerstede opzoeken even rustig te gaan slapen als ze dat ook andere nachten doen. Er is voorshands nog geen enkele reden om werkelijk ongerust te zijn. En daarmee, geachte luisteraars, laat ik U over aan de verpozing die de radio U pleegt te bieden.
    Goeden avond. [9]

In 1923 woonde de journalist George Nypels een jaar in München om het jonge fenomeen Adolf Hitler in de bierkelders van de stad te bestuderen. Hij scheef in het Algemeen Handelsblad; 

  • Hitler is als massa-opwinder, als partijmaker, iets heel buitengewoons, van wie men zeer veel verwachten…of vrezen mag. Drie volle uren lang heb ik hem dingen horen vertellen waarvan slechts een zéér klein percentage me sympathiek was. En toch heb ik me geen ogenblik verveeld.

In 1933 werd Nypels correspondent voor het Algemeen Handelsblad in Wenen. Vol afgrijzen beschreef hij de eerste anti-joodse boycotdag in Duitsland en de opkomst van de Oostenrijkse nazi’s. Na de Anschluss in 1938 verliet hij Wenen: vrienden en kennissen werden opgepakt, kritisch schrijven was onmogelijk geworden. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij correspondent in Brussel. Hij staakt zijn journalistieke werk in 1942. 

Ook de correspondent van de N.R.C. hoefde niet diep te spitten om de gruweldaden van het nieuwe regime te documenteren. Hendrik Jan Noordewier schreef niet alleen voor de NRC maar ook had hij een geheime bijbaan. Vanaf 1933 schreef hij regelmatig vertrouwelijke berichten, bedoeld voor een selecte groep van beleidsmakers, hoge ambtenaren en ministers in Den Haag. Zeker op Buitenlandse zaken, waar de latere minister Van Kleffens dan nog een hoge ambtenaar was en op Defensie, werden deze berichten nauwlettend gelezen. Op zijn minst was Den Haag vanaf 1933 op de hoogte gebracht van wat er zich afspeelde in nazi-Duitsland. In één van zijn 47 geheime rapporten schreef Noordewier, al in augustus 1933, over concentratiekampen en hij maakte zelfs - in een kleine opmerking vooraf - zijn excuses voor de walgelijkheden waarover hij moest rapporteren. [6]

GS- III A, de militaire afdeling buitenland, onder leiding van majoor J.G.M. van de Plassche en ondergeschikte kapt. CM Olifiers, wist veel informatie te verzamelen over de Duitsers, nieuwe Duitse regimenten, nieuwe vliegvelden. Informatie kwam binnen via aan de grens geplaatste Marechaussees die goede contacten over die grens hadden, Duitse kranten bleken een goede bron, Nederlandse zakenlieden die regelmatig verslag uit kwamen brengen, particulieren die, gedreven door hun afkeer van het Derde Rijk, vaste contacten met de dienst onderhielden. GS- III- A wist over de kracht van de Duitse militaire apparaat adequate inlichtingen bijeen te brengen. Wat Herr Reichskanzler met dat apparaat van plan was kon men uit al die waarnemingen eind 1939 nog niet met zekerheid vaststellen. [9]

De Nederlandse regering en vooral de ministers van Defensie en Buitenlandse zaken in De Haag wisten in grote lijnen wat er zich in Duitsland afspeelde en veel ontwikkelingen voorspelden weinig goeds. Van alle kanten kwamen berichten en verslagen binnen. Heel veel informatie kwam ook via de eigen diplomatieke kanalen. Vooral de Duitse herbewapening die in enorm tempo werd geforceerd, werd door de legertop als zeer zorgwekkend ervaren, te meer daar de legerleiding zelf moest vechten voor elke cent die door Defensie mocht worden uitgegeven. [6]

Wie in de periode 1930-1933 de Münchener Post er op na sloeg werd over de misdaden van de SA ruim geïnformeerd.
De redacteuren beschouwden de nazi's niet alleen als een politiek verschijnsel, maar ook als een groep gangsters. Uit de informatie uit die krant bleek dat de SA nauwe banden onderhield met de onderwereld met alles wat daarbij hoorde: intimidatie, mishandeling chantage, valsheid in geschrifte en moord en doodslag. [8]

**

 

De jaren 1936 en volgenden brachten den Hollanders, 
"de noodt en de periculen seer claer voor oghen".

De regeringsmaatregelen deden wel het moreel in het leger stijgen. Houding en stemming van de soldaten die in september 1936 voor legermanoeuvres waren opgeroepen bleken volgens opperofficieren uitstekend. Ook in dat jaar in werking gekomen "capitulanten-stelsel", dat verjonging en uitbreiding van het veel te kleine, vergrijsde korps beroepsofficieren beoogde, voldeed ondanks de lage beloning vrij goed. Verder was begin 1936 al de "Vereniging voor Nationale Veiligheid" ontstaan, die in november van dat jaar het "Luchtverdedigingsfonds" oprichtte met het doel jonge mannen gratis een opleiding tot vlieger te geven. 

Affiche. Voor de opleiding van vliegers -om de neutraliteit te versterken- werden particuliere bijdragen gevraagd.

De eigenlijke doorbraak kwam in 1937, toen de minister Van Dijk - dezelfde van de Dienstplichtwet 1922 - een defensiebegroting voor 1938 kon indienen, die voor het eerst belangrijke en kostbare wijzigingen in de wet van 1922 moest aanbrengen. De Kamer aanvaarde deze. Loting en het vooroefeninstituut werden uit de wet geschrapt. de lichtingssterkte werd van 19.500 op 32.000 man gebracht, terwijl de duur van de eerste oefening van vijf en een half op elf maanden werd gebracht. Bovendien werd 157 miljoen beschikbaar gesteld voor aankoop van materieel voor land- en zeemacht. 

Ook werd in 1937 overgegaan tot de aanwijzing van zeventien mobilisabele bataljons infanterie voor een - mogelijke - en zeer vroegtijdige mobilisatie. De Buitengewone Oproeping Uitwendige Veiligheid (B.O.U.V.) vond plaats op 27 september. Op 8 oktober konden zij weer naar huis. Zij hadden hun eerste "wacht" achter de rug en het land haalde opgelucht adem. 

Deze bataljons, samengesteld uit oudere lichtingen - jonge mannen bleven thuis en kregen wel of niet een werkelozen uitkering - moesten een "tijdige" bezetting van belangrijke strategische en tactische objecten mogelijk maken om tijdens een Algemene Mobilisatie een strategische overval te keren. 
Elk van de 24 regimenten vormden een zogenoemd 'grensbataljon' ( het 2e Bataljon) dat deel ging uitmaken van de Strategische Beveiliging. Samen met de Politietroepen waren er voortaan voor de Strategische Beveiliging ongeveer 10.000 man permanent onder de wapenen.

Een vijfjaren plan, het Urgentieprogramma, trad in werking. De verbetering in de duur der eerste oefening betrof, zoals beschreven, alleen de jongste lichting. Daar ons leger 15 lichtingen telde zou in 1954 het leger zijn maximum aan geoefendheid krijgen.

Eindelijk konden de zo broodnodige parate troepen worden gevormd in de vorm van grensbataljons. De inval van de dictator in Oostenrijk in maart 1938 - de Anschluss - versnelde in Nederland nog het tempo van de reorganisatie, al moest er bijvoorbeeld wat de legering der militairen aangaat nogal eens worden geïmproviseerd. 

*

 

4e Regiment Infanterie.

Lt. Kol. Buurman (C.-4R.I.) ; [25]

  • De steeds scherper verhoudingen aannemende politieke toestand in Europa noopte de regeering, nadat de IIe of z.g. Grensbataljons waren opgericht, tot het nemen van verschillende maatregelen. Alvorens echter hierop in te gaan, is het noodig eenige beschouwingen te wijden aan de gevolgen, die de laatste reorganisaties hadden voor het regiment.
    Toen dit nog bestond uit den Staf van het regiment en de Regimentsschool in tijd van vrede, was bepaald, dat bij mobilisatie deze laatste zou worden opgeheven. Het daardoor vrij komende beroepspersoneel werd verdeeld over het 4e Regiment zelf, het daaruit uit oudere lichtingen te vormen 28e Regiment Infanterie en de uit de dienstplichtigen van de regimentsschool en voorloopig vrijgestelden te vormen 4e Depotbataljon.

    Bij de oprichting van het IIe Bataljon zat de bedoeling voor, dat in een garnizoen in de nabijheid van de grens te legeren en het te belasten met de bewaking en verdediging van die grens tegen een onverhoedse overvalling.
    4R.I. zag zich daarvoor toegewezen het stadje WEERT in LIMBURG.
    Zoodra de dienstplichtige 5½ maand onder de wapenen had doorgebracht, ging hij voor 6 maanden over naar het IIe Bataljon, alwaar de oefeningen werden voortgezet. Allereerst deed zich een gebrek aan officieren en kader gevoelen, het aanwezige aantal moest nu toch bestemd worden voor twee bataljons, zoodat de regimentsschool, thans Ie Bataljon geworden ongeveer de helft van haar instructeurs moest afstaan, terwijl er reeds een tekort was, dat zeer veel luitenants bevorderd werden tot kapitein, waardoor een groot gebrek aan luitenants ontstond. Hetzelfde deed zich voor in de onderofficiersrangen. De ontbrekende plaatsen op de onderste sporten van den militairen ladder werden ingenomen door vrijwillige opkomst van dienstplichtig en reserve personeel, waarvan de oefeningen noodzakelijkerwijze nadeel moesten ondervinden. Een tweede gevolg was, dat in geval van mobilisatie het vrijwillig personeel nog meer verwaterd werd dan reeds het geval was. Het beroepspersoneel toch van de twee oorspronkelijke compagnieën moest binnen korte tijd worden verdeeld over acht bataljons, terwijl reeds de helft was bestemd voor het grensbataljon. 

*

 

De jongste legeruitbreiding herstelde het bataljonsverband door de oprichting van de z.g. grensbataljons.

  • Van de moderne infanterie wordt heel wat meer kennis en vaardigheid geëist, dan in de dagen, dat een infanterist volleerd was, indien hij kon marcheren, schieten met zijn geweer, en zijn verplichtingen in de velddienst en garnizoensdienst kende.
    Een infanterie-regiment bestaat thans uit tirailleurs, bedieningsmanschappen van de zware mitrailleurs, bediening van de mortieren, telefonisten, en optische seiners.
    Bij de tirailleurs kent men geweergroepen en mitrailleurgroepen. De mitrailleur is het hoofdwapen van de infanterie geworden.  De tirailleurs leren de behandeling van het geweer en van de z.g. lichte mitrailleur. De lichte mitrailleur wordt door de man gedragen; het wapen heeft luchtkoelingen heeft een vuursnelheid van 3 à 400 schoten  per minuut en schiet tot 1000 meter. Bij de mitrailleur behoort een lichte drievoetaffuit.  Een compagnie infanterie heeft 8 lichte mitrailleurs. Van niet minder belang voor de moderne infanterie is de opleiding van het verbindingspersoneel. Dat zijn de telefonisten, optische seiners. telefoonherstellers en ordonnansen.  Zij moeten een grote vaardigheid hebben in het telefonisch overbrengen van berichten, in gewoon- of geheimschrift. In het optisch seinen met vlag of met sluiter of met seinlamp in Morse- en geheimschrift, en in het leggen van veldkabels, inschakelen van telefoontoestellen. Ook het seinen naar vliegtuigen met behulp van een z.g. U-seinlamp, het seinen met een lichtpistool en het verzenden van berichten per postduif behoorde tot de vaardigheden der verbindingsdienst.

image-1 Inspectie 4GB

 

Er bleven tekortkomingen. Lt.Gen. J.J.G. baron van Voorst tot Voorst (C.-Veldleger.), bracht in april 1938 een inspectiebezoek aan de vier weken tevoren gevormde IIde bataljons (Grensbataljons), speciaal om zich op de hoogte te stellen van hun legering en oefening. Hij zag "veel goeds", maar had ook de volgende waarneming te rapporteren: [9]

  • In een garnizoen beantwoordde de cantine niet aan de meest elementaire eisen. In een ander garnizoen waren - na een maand - nog geen cantines. Ik zag een onderofficiersverblijf waar de kaalheid en ongezelligheid een stellige reden was dat hiervan geen gebruik werd gemaakt...
    In enkele garnizoenen werd in de open lucht (zonder afdek dus) gekookt in veevoederfornuizen, in andere at de troep nota bene nog steeds uit de keukenwagen zodat een goed en afwisselen menu voor het middageten niet was gewaarborgd... In een garnizoen was - na een maand - door de troep nog niet gebaad... In een garnizoen had de troep na een maand nog niet geschoten omdat geen schietschijvenmateriaal was. Aan geïmproviseerde schijven was niet gedacht.

 

Het grote publiek in Nederland bleef evenwel lauw en gereserveerd tegenover de grotere defensie inspanningen. Slechts een zeer kleine minderheid van de bevolking had oog voor de dreiging die vanuit het oosten in de lucht hing. De overgrote meerderheid liet zich zand in de ogen strooien of hield deze gesloten. 

Van goede informatie werd de Nederlander niet voorzien. De pers legde zichzelf een censuur op, men moest neutraal blijven. 
De regering meende (het was een inzicht dat de meeste hoofdredacteuren deelden), dat het verstandig was, in de berichtgeving een zekere neutraliteit in acht te nemen en, voorzover men al van antipathieën blijk gaf (meest waren dat antipathieën jegens het Derde Rijk), dat te doen in termen die niet te zeer aanstoot zouden geven.
Er werd veel met gedempte toon geschreven - er werd ook veel niet geschreven. Men meende met die zelfbeperking 's lands belang te dienen. Nog was Hitler een - bevriend - staatshoofd, iets onaardigs zeggen over deze persoon was dan ook een belediging en werd als zodanig vervolgd en bestraft. [9]

Vanaf 1930 mochten uitzendingen van de verschillende radio-omroepen "niet in strijd zijn met de veiligheid van den staat, de openbare orde of de goede zeden". Drie commissies waaronder de Radio Omroep Controle Commissie bekeken vooraf of de uitzendingen van de omroepen door de beugel konden.

*

Modernisering bewapening.

Daar wij geen wapenindustrie van enige betekenis bezaten moest het meeste materieel in het buitenland worden besteld, waar de wapenfabrikanten echter al tot hun oren in de orders zaten. Nederland bleek te laat in de wapenrace gestapt te zijn. Zo bleek men tijdens de Sudetencrisis in 1938 over vijfentwintig totaal verouderde en slechts twintig relatief moderne vliegtuigen te beschikken. Zowel in het buitenland als bij Fokker, Koolhoven en Aviolanda werden orders voor nieuwe vliegtuigen geplaatst. De moeilijkheid daarbij was weer dat veel materiaal voor de vliegtuigbouw uit het buitenland moest komen. [7]

Het nieuwe inzicht leidde onder meer tot een verdere motorisering van het leger. Hiervoor kwam allereerst de Lichte Brigade in aanmerking. Dit had tot gevolg dat in deze eenheid geen plaats meer zou zijn voor de bereden batterijen van het Korps Rijdende Artillerie. Op 2 mei 1938 besliste de minister van Defensie dat bij het korps de paardentractie geheel diende te verdwijnen. Dit voornemen tot volledige motorisering stuitte binnen het korps op veel verzet. Gevreesd werd dat de geestelijke en morele waarden er ernstig door zouden worden aangetast. De korpscommandant lt.kol. de Haan pleitte ervoor om het afschaffen van paarden bij het K.R.A. in ieder geval zo lang mogelijk uit te stellen. Er was meer verweer, want de essentie van de Gele Rijder was, vonden ingewijden, dat hij náást artillerist ook een ruiter was. De minister liet zich niet vermurwen. Hij hield vast aan de in 1938 ontworpen oorlogsorganisatie, die was vastgesteld op drie gemotoriseerde afdelingen, twee met de 7-veld en één met de 10,5 cm houwitser. De Fordsontrekkers die nodig waren voor het motoriseren van I-K.R.A. arriveerden pas in de eerste week van mei 1940.
Volgens de beschikking van de min. v. Def. van 20 maart 1939 moest bij het op voet van oorlog brengen van het leger uit het korps ook een depot-afdeling worden samengesteld. Deze opleidings- en aanvullingseenheid werd in Oegstgeest geplaatst en stond onder commando van de inspecteur der Artillerie.

Met de aanschaf van moderne vliegtuigen was men voorzichtig. Colijn wees op het grote gebrek aan geschikte piloten in Nederland. Een ander probleem was de snelheid waarmee de luchtvaart zich in die jaren technisch ontwikkelde. Colijn was bang dat duur ingekochte vliegtuigen na een paar jaar weer als verouderd bij het schroot gezet konden worden. De aanschaf van vliegtuigen moest dus geleidelijk gebeuren.
Terecht beducht voor het luchtgevaar gaf de regering in 1937 haar goedkeuring aan een ambitieus vierjarenplan voor de opbouw van een militaire luchtvaart. Samen met de luchtdoelartillerie werd de verdediging van het luchtruim georganiseerd in een commando luchtverdediging onder deskundige leiding van kolonel P.W. Best. [17]

Dat was nodig want toen, tijdens de Sudetencrisis, zesentwintig batterijen luchtdoelartillerie werden gemobiliseerd, bleken voor heel Nederland in totaal zegge en schrijven drie batterijen tot vuren in staat! Toch presteerde ons land het, door koortsachtige aankopen , op 10 mei 1940 liefst 355 luchtafweerkanonnen in stelling te hebben, terwijl al deze vuurmonden bovendien een deskundige bediening hadden. [7]

 

 

In 1939 en 1940 probeerden vermogende particulieren uit handel en industrie een eigen luchtafweer te organiseren. Daarbij werden hun werknemers ingeschakeld. Via speciale inzamelingsacties deed men een beroep op burgers van de grote steden om een financiële bijdrage te leveren.

 

 

 

 

image-1

Ook 's Gravenhage wilde geen bommenwerpers in haar luchtruim en financierde vier luchtdoelmitrailleurs. Aan de bevolking werd gevraagd geld te storten op Giro 10428 voor de resterende negen luchtdoelmitrailleurs.

Alles bij elkaar bracht de luchtdoelartillerie op 1 mei 1940 niet minder dan 10.000 man te velde. Ook in de opleiding van officieren kwam sinds 1938 weer schot, hoewel er nog veel te korten bleven.

**

 

Kristalnacht.


Tijdens deze Kristalnacht, van 9 op 10 november 1938, werden in Duitsland bijna tweehonderd joden omgebracht en duizenden joodse winkels geplunderd en beklad. Ruim 260 synagogen gingen in vlammen op. Ruim 30.000 Joden werden opgepakt en naar concentratiekampen afgevoerd.

***

 

1939

Op 9 januari 1939 vierde het 4e Regiment Infanterie haar 125 jarig bestaan.

De courant "Het Vaderland" op 10 januari hierover :

  • Leiden.
    Met opgewektheid is gisteren het 125-jarig bestaan van het 4e Reg. Infanterie gevierd, zoowel van militaire zijde als door de burgerij, wier verhouding tot de mannen van het 4e steeds een zeer vriendschappelijke is geweest. Onder de reunisten, die voor den jubileumdag waren overgekomen, behoorden generaal Duynmaer van Twist, die in 1889 als jong luitenant bij het 4e diende, de gep. generaal Zeeman, in de mobilisatiejaren kapitein, prof. van Dorp en als oudste reunist de 91-jarige Arie van Rijn uit Leiden: in totaal waren 563 reunisten opgekomen. De "commandant van het vierde", overste M. van Mens, had zich in hoofdzaak met de voorbereidende maatregelen van de feestelijke herdenking belast en trad den geheelen dag, naast den huidigen commandant, overste H.D. Buurman, als gastheer op.
    Nadat te 7 uur reveille was geblazen en een gemeenschappelijke koffiemaaltijd was gebruikt, verzamelde men zich op het terrein van het Militair Hospitaal aan den Morschsingel, waar generaal Duymaer van Twist, den oudsten reunist, den heer Van Rijn, een lint met een herinneringsmedaille om den hals hing. Vervolgens werden twee kolonnes geformeerd, namelijk een stoet van reunisten, voorafgegaan door het Politiemuziekgezelschap onder leiding van den heer Bolderdijk, en een stoet van de huidige manschappen van het 4e, voorafgegaan door de Kon. Militaire Kapel onder commando van kapitein dr. C.L. Walther Boer, het geheel onder leiding van majoor P.D. Ravelli.
    Beide kolonnes trokken de vroolijk bevlagde stad door en langs de Lakenhal, waar zich verschillende militaire en burgerlijke autoriteiten hadden opgesteld. Van het college van B. en W. waren vertegenwoordigd de burgemeester. mr. A. van de Sande Bakhuyzen, de wethouders Tepe, Van Stralen en Verwey, de gemeentesecretaris, mr dr C.E. van Strijden, voorts de luit.-kol. Van Hillen namens den commandant der 1e divisie, generaal jhr Alting van Geusau, kolonel Bisschof van Heemskerk, commandant der 1e Inf. Brigade, majoor Tibo, van de staf der Brigade, de kolonel van den generalen staf, M.W.L. van Alphen, den gep. gen. Zeeman, de legerpredikant da E.L.Nauta, de ommandant van het 6e Reg. Veld Art. overste A. L. Drijfhout van Hooff en de commandant van het jubileerende reg. overste H.D. Buurman.
    Na het defilé ontving het gemeentebestuur de militaire autoriteiten in de Lakenhal, waar de burgemeester de gelukwenschen van de Leidsche burgerij overbracht.
    Op het terrein van den Morschsingel bood overste M. van Mens namens de oud-gedienden een bronzen gedenkplaat aan ter plaatsing in de Morschpoortkazerne.
    In de middaguren bood het gementebestuur het regiment en de reunisten een bioscoopvoorstelling in de Stadsgehoorzaal aan, terwijl de commandant op het regimentsbureau receptie hield. Na de feestdiners, welk door manschappen, onderofficieren gehouden werden, vereenigde men zich in de Stadsgehoorzaal, waar een avondfeest is gehouden.

*

 

Buitengewone Oproeping Uitwendige Veiligheid
BOUV

Tijdens de Sudetencrisis werd Telegram O uitgegeven, de eerste stap naar een mogelijke algemene mobilisatie. Het onweer trok echter over, maar niet voor lang. Op 15 maart 1939 bezetten de Duitsers Tsjechoslowakije en op 23 maart het Memelgebied. Toen een andere schurk uit Italië op 7 april Albanië binnenviel drong de legertop en de koningin aan op een algemene mobilisatie, Colijn weigerde vierkant, een algemene mobilisatie vond hij te duur en het gevaar voor Nederland niet acuut. ZIJ stemde toe met beperkte mobilisatiemaatregelen. Telegram O werd opnieuw uitgegeven, de 2e B.O.U.V. trad in werking. Als compromis werden niet minder dan achtentwintig bataljons opgeroepen en in totaal omvatten de genomen veiligheidsmaatregelen zelfs zo'n 100.000 man. De grenzen werden nu naar alle kanten tegen een overval bewaakt door de z.g. Reserve Grens Compagnieën.

Het hoge tempo waarmee in 1939 de herbewapening werd opgevoerd  - het Defensiefonds werd verhoogd tot honderd miljoen - laat zien dat de geruststellende woorden van de regering slechts schijn waren. De retoriek kwam steeds meer in tegenspraak met de genomen defensiemaatregelen.[17]  

 

Des nachts op 11 april,
Kreeg 't vaderland een gril.

Dit waren de eerste regels van een lied gemaakt naar aanleiding van het feit dat een aantal grootverlofgangers van het 4e Regiment Infanterie in de vroege morgenuren van de 11e april in 1939 een telegram ontvingen waarin hen werd medegedeeld dat zij zich per eerste gelegenheid bij hun onderdeel in de Morspoortkazerne te Leiden dienden te melden. (2e BOUV)
Hier kregen zij te horen dat zij bij de 4e Reserve Grens Compagnie waren ingedeeld. Dit betekende dat de opgeroepenen feitelijk dit onderdeel gingen vormen.
Grenscompagnie? Dat betekende een behoorlijk eind van huis. Maar tot hun verbazing en opluchting bleek de grens aan de Noordzee te liggen.

Om de neutraliteit te demonstreren, naar wellicht onze oosterburen, werd niet alleen de oostgrens maar nu ook de westgrens bewaakt.
In Katwijk werd de helft van de compagnie gelegerd alsmede het bureau van de commandant kapt. Hoogh, de foerier en de menagemeester. De andere helft werd verdeeld over Noordwijk, Noordwijk-Radio (NORA), bij Noordwijkerhout en na enige maanden ook een klein detachement aan de Wassenaarse Slag.
Om de kuststrook te beveiligen tegen aanvallen vanuit zee werden in de duinrand loopgraven en mitrailleursnesten aangebracht. In Katwijk voor het toenmalige hotel "Du Rhin", aan het einde van de boulevard bij de uitwatering en aan de andere zijde van die uitwatering.

 - "We waren", schreef sergeant Alphons Delforterie (4 Res. G.C.)

  • toen nog zo naïef om te denken dat we een landing vanuit zee wel konden verhinderen met 3 mitrailleurs en 30 geweren.

*

Ondanks de op gang gekomen inspanningen konden vele maatregelen niet meer op tijd worden uitgevoerd. De langdurige verwaarlozing van het defensieapparaat kon niet meer worden goedgemaakt. 
Die geringe waarde was ook de Duitsers niet ontgaan en de gevechtskracht werd niet hoog aangeslagen. De Duitse militair attaché in Nederland, Friederich-Carl Rabe von Pappenheim, kwam na in 1938 de Nederlandse manoeuvres in het Olympisch stadion te Amsterdam te hebben bijgewoond tot een vernietigende oordeel hetwelk hij aan zijn superieuren meldde; [29]

  • Die Truppe gab sich ziemlich Mühe. Trotzdem gab es für das Auge des deutschen Soldaten Bilder von grosser Komik. Über diese Manöver ist weinig zu zagen. Sie waren vom Standpunkt eines modernen Soldaten gesehen nichts mehr als ein Witz und nicht einmal ein guten, mit Kavallerie-Attacken und Infanterie Angriffen, mit eintrollten Fahnen und so weiter.

Ook schreef hij aan het nazi-bewind dat het Nederlandse leger niet tot enige offensieve actie in staat achtte. Zijns inziens zou ons leger zich defensief hooguit een week kunnen handhaven en dan alleen in een voorbereide stelling. [7]

Zeer weinig vertrouwen in de kracht van de Nederlandse defensie toonde ook de Engelse militairdeskundige B.H. Liddell Hart. Deze bracht zijn mening tot ontsteltenis van de Nederlandse militaire autoriteiten in zijn vele publicaties uitvoerig naar voren.

Bijgaande prent gaf aan hoe men in Australië over de Nederlandse defensie dacht. Uit Smith's Weekly, Sidney.

*

Toen op 23 augustus 1939 het Duits-Russisch akkoord werd gesloten ging in ons land voor de derde maal het Telegram A uit. [7]

Van vijandelijkheden tussen de Fransen in de bunkers van de Maginotlinie en de Duitsers in die van de Westwall daartegenover was op dit moment nog geen sprake. Hitler voerde -met een dubbele agenda- nog een diplomatieke strijd. Een Sitzkrieg noemden de Duitsers al gauw deze situatie, met een spottende verwijzing naar de Blitzkrieg waar ze op voorbereid waren. Drôle de guerre, zeiden de Fransen hoofdschuddend, een rare oorlog. Ook de Engelsen hadden hun eigen term; phoney war. Churchill bedacht een nog beeldender naam; Twilight war.

*