TERUG

Kapitein F. Berkevelder

C.-MC-I-9R.I.

Bron : DE GEHAVENDEN
BNMO 1970

 

Ik zal u vertellen van die operette in mei 1940. En van de naviteit toen. Van de wanorde waarin de Nederlandse armee trachtte te manoeuvreren. Van de gebrekkige bewapening. Van de nodeloze doden. En van de barre onwetendheid omtrent de vijand. Ik zal het vertellen vanuit mijn eigen mei-ervaringen als officier bij de infanterie. Voor mij begon het al komisch: we hadden een bataljonsoefening in de nacht van 9 op 10 mei. Op mars naar het terrein waarin we ons zouden bekwamen, bespeurden wij vreemde vliegtuigen. We telden ook 30 zoeklichten. Er moest dus iets niet in de haak zijn met onze neutraliteit. Tegen de ochtend kwam een ordonnans ons zeggen dat niet slechts de neutraliteit was geschonden, maar dat er oorlog was. Er waren parachutisten geland. Duitse parachutisten. En toen begon de musical ...

De majoor, bataljonscommandant, is meteen op zijn edele paardje in gestrekte draf naar zijn kwartier gereden en wij moesten afmarcheren naar Haarlem. Dat was wel sneu, want toen het wat lichter werd, had ik weliswaar twaalf mitrailleurs in de aanslag, maar ik had geen water en geen olie, zoals het voorschrift was. Ik kon dus niets uitrichten. Trouwens, ik kon ook niet onderscheiden wat voor vliegtuigen er overkwamen. Ik wist als compagniescommandant zelfs de herkenningstekens van de vliegtuigen niet! Het was overigens gebruik dat we tijdens een oefening geen water en olie voor de mitrailleurs meenamen. En zelfs in de vrij kritieke periode voor 10 mei werd er van die afspraak niet afgeweken.

Onze komst bij het kwartier aan de Dreef in Haarlem was zeer spectaculair. Er was nogal wat volk op de been en wij werden ingeschakeld voor het afzetten van de uitvalswegen van Haarlem. Dat was een farce. Want toen we opgeladen waren en reeds enige manschappen hadden uitgezet, werd het bevel alweer ingetrokken.

Ik ben maar weer naar mijn kwartier gegaan. De adjudant van de bataljonscommandant begon inmiddels met het vorderen van voertuigen met chauffeurs. Ik kreeg de beschikking over zestien bemande vrachtauto's plus een mondeling marsbevel om naar het zuiden te trekken. Via Lisse, Sassenheim en verder. Onderweg zouden we wel te weten komen wat er verder moest gebeuren.

En zo geschiedde. Ik heb opgeladen en de paarden laten aanspannen. Ook dat was weer spectaculair. Uiterlijk heb ik mijn rust bewaard en ik gaf de show weg van iemand die het nogal laconiek opvatte. Ik was me ten volle van de verantwoordelijkheid bewust maar ik moest tegenover de jongens natuurlijk een goed figuur slaan. Paniek zou de zaak kunnen verknoeien. Voordat we afmarcheerden, ben ik alle kamers van de school doorgelopen teneinde alle manschappen toe te spreken: ook de kwartierzieken. Die mochten zeggen wat ze wilden doen. Ze waren echter ook marsvaardig en toen is - met uitzondering van de foerier en zijn twee hulpen - iedereen meegegaan.

Het moreel was uitstekend, ofschoon er even een moeilijkheid was. Met Pasen had ik tachtig jonge schutters van het depot gekregen. Nu moest ik er evenveel verspreiden over de divisie. Dat was natuurlijk bijzonder sneu voor deze jongens, die al geruime tijd met elkaar hadden opgetrokken. Met groepjes van vijf of tien werden ze over andere onderdelen verdeeld. Psychologisch een heel slechte zaak. Aan de andere kant was het ook weer niet z erg, want we hadden ons al afgevraagd, wat we met die tachtig schutters moesten doen. Ze hadden amper een mitrailleur gezien.

Wat was het een mooie afmars! Al die vrachtauto's en al die bewapening. Het maakte op het vele toegestroomde volk wel indruk.

Bij Sassenheim kregen we de eerste luchtaanval. daarbij verloren we 42 man - doden en gewonden, hoofdzakelijk van de derde compagnie. Voor mij uit reed de materiaalwagen van de bataljonsarts: daarvoor reed de arts zelf en pal daarvoor sloegen de vliegtuigbommen in de autobussen en vrachtwagens.

Mijn eerste contact met de vijand! Zelf zat ik naast de chauffeur in een vrachtauto. De vliegtuigenen heb ik niet gezien. Ik had vier stukken luchtafweer op de wagens en die hebben gevuurd. Zij konden melden dat n van de vliegtuigen 'met een grote boog' achter de duinen was verdwenen. Dat heeft echter ook de eerste compagnie gemeld, terwijl eveneens anderen vuur hadden gegeven. Wie dus het toestel heeft neergehaald is niet precies bekend. Wel stond vast dat het naar beneden was gehaald. En dat was mooi.

We zijn verder uit de wagens gegaan en hebben links en rechts van de weg dekking gezocht. Mijn compagnie had geen verliezen en na een kwartier gelegen te hebben, heb ik weer verzamelen laten blazen. Van mijn zestien (burger-) chauffeurs waren er nog maar zes over. Ik moest dus nog tien chauffeurs charteren, die ik in mijn eigen compagnie gevonden heb. Dat was niet zo eenvoudig, want in 1940 was het autorijden nog niet algemeen bekend en speciaal het berijden van een vrachtwagen was niet zo eenvoudig. Maar het lukte en binnen vijf minuten had ik alle vrachtwagens weer bemand. Het betekende ook dat de burgerchauffeurs die nog wilden rijden, uitgerust konden worden met de helmen van de gesneuvelden.

We zijn weer en route gegaan, langs de getroffen wagens en langs de stilstaande colonne. Het bleek een colonne te zijn van het (hele) negende regiment. Ik reed voorop in mijn wagen, maar met de vreemde gewaarwording dat ik geen bevel had. Ik moest naar het zuiden, maar verder wist ik niets. Ik hoopte maar dat ik mijn bataljonscommandant zou treffen, want wat moest ik? Na ongeveer 500 meter zag ik mijn net in functie gekomen regimentscommandant. Hij stond daar onder een paar bomen, met zijn kapitein-adjudant en met de veldprediker. Ze stonden daar wat zielig te staan. Ik heb de colonne laten stoppen en ben ernaartoe gegaan. Ik heb me heel formeel gemeld: helemaal volgens het boekje maakte ik halt en front - en vroeg om orders. De overste wist niet zo gek veel te zeggen: 'Godverdomme, daar komen ze weer aan,' hij wees naar de lucht. Maar er was niets te zien. Hij dacht kennelijk een paar vliegtuigen waar te nemen, maar dat kan ook een afleidingsmanoeuvre geweest zijn, want hij wist per se niet wat hij mij moest antwoorden. Ik herhaalde mijn vraag en toen moest ik maar de eerste de beste brug bezetten die ik tegen zou komen. Dat heb ik gedaan. Het was de brug bij Oegstgeest. Die overste was wel in paniek. De dominee was dat bepaald niet. De kapitein-adjudant, die ik niet zo goed kende, stond een beetje verwezen bij zijn overste. Er was verder niemand: geen verbindingsman, geen ordonnans, kortom het was een vreemd tafereel. De aanwezigheid van de dominee is misschien niet helemaal ten onrechte geweest; ik had het idee dat die twee officieren wel wat geestelijke bijstand konden gebruiken!

In Oegstgeest bezetten we dus de brug bij het groene kerkje. Ik heb daar kwartier gemaakt, mijn commandopost ingericht in een tuindershuis onder aan de dijk.

Daar bleek een kraamvrouw aanwezig te zijn. De eigenaar van het huisje vroeg me wat hij met zijn vrouw aan moest. Ik heb geantwoord, dat alles en iedereen mocht blijven, maar ervoor gewaarschuwd. dat als de Duitsers zouden weten wat er in dat huisje aanwezig was, dat huisje wel eens onder vuur zou kunnen komen. De vrouw is toen weggebracht, naar vrienden in de buurt en ik heb het huis als commandopost ingericht: helemaal volgens bet boekje! Even later kwam de huiseigenaar weer binnen met het verzoek of we aan het nieuwe zeil wilden denken. Om hem gerust te stellen, heb ik het maar laten oprollen. Zo deden we dat in het begin van de oorlog.

Ik had de vorige nacht geen slaap gehad, omdat we net met die nachtoefening bezig waren. Derhalve ben ik op het - nog warme - kraambed gaan liggen dat de tuindersvrouw had verlaten. Mijn sergeant-toegevoegd stelde ik aan als wacht, terwijl hij op zijn beurt weer twee wachtposten uitzette. Die hebben nog geschoten op een naar mij onderweg zijnde ordonnans. De man kwam melden dat een bij mijn compagnie behorende sectie inmiddels ook was uitgezet.
Ik lag goed en wel toen de majoor naast mijn bed stond. Hij vertelde me dat we weer op weg moesten. De voorposten waren al vooruit gestuurd en wij dienden voorlopig in een bebost gedeelte bij Voorschoten in stelling te gaan. (Vreemd bevel. Mogelijk werd bedoeld Voorgeest ipv Voorschoten)

Ik heb de zaak weer aan het rijden gekregen, hoewel ik andermaal een stel chauffeurs kwijt was geraakt. Ik geloof niet dat ik toen nog bergerchauffeurs over had. Toch kreeg ik alles mee en heb inderdaad geconstateerd dat de verbindingsmannen op de hoofdweg stonden. Toen we van de hoofdweg moesten afbuigen om Voorschoten te bereiken, ontbrak verder elke aanwijzing en elk bevel. Op eigen initiatief ben ik toen maar in dat beboste gedeelte gaan staan.

Dat bleek te zijn nabij een kasteeltje (Kasteel Endegeest) van de familie Gevers Deynoot. (Kasteel Endegeest stond nabij Voorgeest in Oegstgeest) Het was verlaten. Ik heb het onderzocht, maar met mijn spijkerlaarzen durfde ik ook weer niet te ver naar binnen te gaan, omdat ik dan te veel zou beschadigen. Ik heb dus een paar wachtposten langs de rand van het bos uitgezet. Plots kwam de luitenant van de verbindingsafdeling van het bataljon. En toen kwam k nog de luitenant-adjudant op zijn fiets, Ze zijn bij ons gebleven.

De majoor concludeerde dat ik een goede positie had ingenomen, daar in het bos. Later is het bataljon in zijn totaal daar aangekomen. Hoe het allemaal gekomen is weet ik niet, maar zonder mijn orders was zelfs de foerier ineens aanwezig,terwijl ook de kok met zijn keukenwagen was gearriveerd. Hoe ze mij zo vlug gevonden hebben is mij een raadsel. Hij heeft het kennelijk in Haarlem niet langer kunnen harden.

Opnieuw mochten wij van een psychologisch verkeerde daad van de leiding getuige zijn. De majoor, een beroepsman nota bene, liet alle uitrustingstukken, die na de luchtaanval op de hoofdweg waren achtergebleven ophalen en onderbrengen in ons bos. Daar kon iedereen dan een blik werpen op bebloede ransels, stukken geweer en beschoten helmen: de resten van een uiteengeslagen compagnie.

We kregen nadien opdracht op te rukken naar Katwijk-Rijnsburg, waar we tot nader order moesten blijven. Het was weer een onvolledig bevel. De mitrailleurkarren werden voor de zoveelste keer op auto's geladen. Het was niet eens zo dringend nodig, want het was maar een korte afstand. Zo zijn we in Katwijk-Binnen gekomen alwaar wij in de uitgangsstellingen zijn blijven staan. Ik moest in een brugwachtershuisje komen. Daar zat mijn bataljonscommandant met zijn kaarten. Ik had de mijne ook bij me, al vanaf het moment dat ik in het tuindershuisje in Oegstgeest vertoefde.

De gehandschoende dikke wijsvinger van de bataljonscommandant zweefde over de kaart. Hij gaf aan dat we het dorp Valkenburg moesten heroveren. Het was bezet door landingstroepen van de Duitsers, die door ons vierde regiment verdreven waren. Het vliegveld was al door de Nederlanders heroverd, eveneens door het vierde regiment. Die troepen zijn later afgelost - ik wist aanvankelijk niet door wie. Maar op een gesneuvelde soldaat vond ik een aanwijzing. In diens zakboekje. Het bleek het tiende regiment te zijn, een regiment dat helemaal niet bij het legerkorps hoorde!

Na de herovering van het vliegveld hadden de Duitsers zich - naar schatting met ongeveer 1350 man luchtlandingstroepen en parachutisten - in het dorp Valkenburg verschanst. Onze opdracht was om voor 's avonds zeven uur het dorp in handen te krijgen met twee bataljons van het negende regiment, waaronder Mijn bataljon met een gehavende compagnie en zonder aanvalswapens. Wij hadden alleen verdedigingswapens: zware mitrailleurs. We hadden geen handgranaten, we hadden zelfs geen lichtkogels of andere communicatiemiddelen. Die waren sinds de mobilisatie nog niet aangevoerd. En die zijn er nooit gekomen ook.

Mijn opdracht was mijn compagnie links en rechts te splitsen, en links en rechts van het langgerekte dorp de infanterie te steunen. Ik zou dus met twee secties, schuin voor onze oprukkende infanterie, vuur moeten leggen, terwijl het hele bataljon zou optrekken onder een vuurwals van 6 en 7 centimeter. Aldus is geschied: ik ben geheel volgens bet boekje met mijn sergeant-toegevoegd plus een ordonnans het voorterrein gaan verkennen en ik heb daar heel model aangetroffen: een luitenant van het vierde regiment, die zich heel correct en heel model voorstelde. Ik begroette hem ook met alle egards en hij heeft mij als verbindingsofficier ingelicht over wat ons te wachten stond als wij voorbij een soort benzinepompje zouden zijn gekomen. Als we daar achter de dijk zouden zijn, kwamen we buiten de dekking. Ik heb dat op de kaart vergeleken, ik kende dus de opmarsweg en ik ben teruggekeerd naar Katwijk-Binnen. Toen ben ik op mars gegaan met de compagnie. Rechts zou ik aangeleund worden door het tweede bataljon. Met de ene helft van mijn compagnie ben ik naar voren gegaan. We moesten oprukken door grote graslanden met tamelijk brede sloten. De andere secties van mijn compagnie konden langs tamelijk goed begaanbare wegen optrekken en moesten het dorp aan de andere kant onder vuur nemen.

In afwachting van de vrije aanval van de infanterie, zijn we daar gaan liggen. Toen de vuurwals begon bijzonder correct vuur, maar met geringe uitwerking - liepen wij naar schatting niet meer dan vijftig meter naast de infanterie. Met elk salvo ging het vuren ongeveer tien meter voorwaarts. Ik heb, toen de inleidende beschieting gehouden. Toen het moment gekomen was, dat de door mij gesteunde infanterie begon te aarzelen op de vlakke weilanden, moest ik de inleidende beschieting in twee lagen geven. De ene laag is dan + 2 inclinatie, en de andere -2. De eerste laag ligt ver, de tweede iets te kort. Zo kan men constateren of de afstand goed gemeten en of op de juiste wijze met de weersinvloeden gerekend is.

Ik nam mijn kijker en gaf het bevel. De zon begon net laag te staan en blikkerde in de dakvenstertjes van een rijtje huizen, op ruim 600 meter van ons af. We vermoedden dat deze huizen door de Duitsers bezet waren. De eerste compagnie van de infanterie lag tussen mij en het dorp; de derde compagnie, de meest gehavende, zou het dorp in moeten pan en eventueel het man tegen man gevecht moeten leveren. Dat was net de compagnie die bij Sassenheim de meeste verliezen had geleden. Ik vond dit dus een onjuiste opdracht. De tweede compagnie had het een stuk makkelijker, want die moest alleen maar een brug bezetten aan de andere kant van het dorp en daar de vluchtende Duitsers neerleggen of gevangen nemen.

We hadden geen verbindingsmiddelen en we konden op geen stukken na zien hoever de derde compagnie in het dorp gevorderd was. Op goed geluk ging ik maar. schieten. Ik heb nog even gefoeterd op een jonge luitenant van de eerste compagnie, die zijn sectie in looppas over de dijk heeft gejaagd. Dit betekende dat zijn jongens schietschijven waren geworden. Zij trokken het vuur aan. Later, toen hij retireerde, kwam hij langs mijn secties. Ik vroeg hem wat er aan de hand was. Hij vertelde dat we teruggeslagen werden. 'Ik zie geen Duitser,' zei ik en gaf hem opdracht te blijven waar hij was, precies volgens bet boekje, he?

Als je in de aanval bent, kun je je gaan ingraven, maar je mag niet terug zonder bevel daartoe. Zo is dat. Ik heb stevig op hem gemopperd. Hij heeft er zich niet veel van aangetrokken en is toch achteruit gegaan. Het had tot gevolg dat mijn twee secties als een golfbreker in het terrein kwamen te liggen.

Ook het tweede bataljon, rechts, kwam niet opdagen. Ik heb wel moeilijke ogenblikken gehad; het waren de moeilijkste uit de hele oorlog, aangezien dat vuur verlegd werd. Naar die huisjes, in de venstertjes waarvan ik de zon zo lekker had zien blikkeren. Ik had gedacht dat iedereen daar gevacueerd zou zijn. Dat was niet het geval.

Door mijn kijker zag ik ineens dat door de tuinen voor de huizen allemaal mensen liepen. En in die tuinen moest mijn volgende salvo terechtkomen. Waren onze inlichtingen beter en uitvoeriger geweest dan had ik op die woningen geen vuur behoeven te leggen. Nu moest het. Werkelijk, het waren de moeilijkste ogenblikken van mijn oorlog, in die meidagen.



Het werd avond. En vr zeven uur hadden we het dorp niet ingenomen. Het werd nacht. En nog steeds werd ik niet aangeleund door het tweede bataljon. Ik heb toen maar patrouille laten lopen op mijn rechterflank teneinde niet overvallen te worden door achtergebleven Duitsers. Ik heb de patrouilles niet al te ver weggestuurd; het was onze taak niet, het waren mijn mensen en zij waren er niet voor opgeleid. Het was typisch infanteriewerk. In de nacht heb ik nog een half-verdronken sergeant van de eerste compagnie voor mijn voeten gehad. Hij was door een aantal sloten gekropen en de mening toegedaan dat we daar weg moesten. Ik zei tegen hem: 'Als je niet teruggaat naar je plaats, schiet ik je voor je raap'. Achteraf heb ik me gerealiseerd dat op mijn verzoek de eerste compagnie verplaatst zou worden, omdat ze anders in mijn vuur kwamen te liggen. Deze sergeant kwam daardoor ook in beweging, maar in plaats van naar links, zoals mijn compagnie, trok hij naar achteren: hij wilde deserteren.

De nacht was heel vervelend. Er spatten lichtkogels van de Duitsers uiteen; ook kwamen nog wat parachutes met materiaal naar beneden. We konden er helemaal niets tegen uitrichten. We wisten niet precies wat het allemaal was. In de loop van de ochtend kwam het bericht binnen dat de bataljonscommandant en de adjudant in het dorp waren gesneuveld.

Toen bedacht ik me dat ik de waarnemende bataljonscommandant zou zijn, want de commandant van de eerste compagnie was ook al achter gebleven. Ik had hem reeds tijdens mijn opmars zien liggen; hij had zijn voet verzwikt, of was in zijn voet geschoten. Ik vond zijn gedrag weinig moedig, maar hij lag daar vredig met zijn sergeant-majoor in een akkertje en goed gedekt, maar ook zonder verbinding. Hij kon in die omstandigheden totaal geen leiding meer geven. De nacht verstreek. Omdat ik op die vleugel de oudste commanderend officier was, heb ik een ordonnans naar achteren gestuurd: 'Waarnemend bataljonscommandant - verzoeke aflossing'. De troep was zeer vermoeid door twee slapeloze nachten.

Juist wilde ik de aanval weer voortzetten, toen ik heel gemoedereerd mijn bataljonscommandant zag komen aanwandelen. Hij was niet dood en liep heel moedig met zijn stafkaart in het mica-omhulseltje te wapperen in de opkomende zon, zodat het flink weerkaatste. Wij lagen op een dijkje in onze uitgangsstelling en waren niet al te heldhaftig meer. Hij gaf toen het bevel de aanval voort te zetten. Dat is gebeurd tot het moment waarop we echt niet verder konden, althans tot ik de indruk kreeg dat we inderdaad golfbreker waren geworden. Tussen het dorp en mij was geen eerste compagnie meer te bekennen. Er was ook nog steeds geen steun in de flank, van het tweede bataljon. Ineens kregen we vuur in de rechterflank. Ik heb dekking gezocht in de tuinderij waar ik was, achter een opstaande plank. Daar lag op dat moment, ook al in gevechtsdekking, een sergeant van de eerste compagnie. We lagen zo'n drie meter uit elkaar en moesten gedekt blijven liggen, omdat het mitrailleurvuur uit het dorp heviger en heviger werd.

Ik heb een ordonnans naar achteren gestuurd met het verzoek een boerderij onder vuur te nemen, vermoedend dat die door Duitsers was bezet. Achteraf is gebleken dat het bericht niet ter plaatse was aangekomen, maar in het dorp door mijn ordonnans was afgegeven aan een kapitein van de artillerie, die daar gewoon 'in ruste' liep. Hij zou het bericht wel even doorbellen. Dat ging heel gemoedelijk en helemaal niet hirarchiek. Op deze manier is het toch voor elkaar gekomen, niet model natuurlijk, maar die boerderij werd beschoten en daar ging het toch om? Later, in het ziekenhuis, hoorde ik van n van de bewoners wat er gebeurd was en waardoor hij gewond was. Toen paste zijn verhaal precies in het mijne.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat mijn opdracht om die boerderij te beschieten volkomen juist was. Mijn bataljonscommandant had intussen, rechtop lopend op die dijk en zwaaiend met zijn 'weerkaatsende' kaart, mijn halve compagnie aangevuurd. Ik ben achter mijn dekking blijven liggen. Toen er weer een salvo kwam, ontstond er een kogelgat tussen die sergeant en mij in het houten schot. Ik zei tegen hem, dat het mij te gevaarlijk werd en dat we weg moesten. Het bleek duidelijk geen vuurdekking te zijn. Ik bleef nog even liggen en bij het volgende salvo zakte de sergeant in elkaar: hij was dood. Daarmee werd het voor mij de hoogste tijd. Ik kroop achteruit en kreeg toch nog een schot in mijn rechterarm, vermoedelijk afgevuurd uit de boerderij.

Ik was dus gewond. Ik dacht dat de arm er af geschoten was. Het was nogal een bloederige geschiedenis en ik dacht aan een slagaderlijke bloeding. Aan een korporaal, die in de buurt lag, vroeg ik uit mijn broodzak ranselriempjes te halen en mijn arm af te binden. Hoewel we onder vuur bleven, heeft die korporaal mijn arm inderdaad afgebonden. Daarvoor heeft hij later op mijn voorstel het Bronzen Kruis gekregen. Intussen bleef ik liggen te liggen, totdat een paar kaderleden voor mij een soort kuiltje hadden gemaakt, waardoor ik wat meer dekking kreeg. Ik had hun al gezegd, dat ze weg moesten gaan, maar ze maakten toch eerst dat kuiltje voor me.

Tegen de luitenant, die praktisch aldoor bij mij in de buurt was geweest, had ik opgemerkt, dat we meer en meer als golfbreker fungeerden en dat we terug moesten trekken op de uitgangsstelling van die morgen. We hadden daar gewoon geen taak meer. Maar verder dan die uitgangsstelling mochten we ook beslist niet terug; per slot van rekening waren we in de aanval. Wil je dat goed onthouden, zodat er later geen krijgsraadzaakje van komt wegens desertie of laaghartig gedrag? ' Ja kapitein,' was het antwoord, 'ik heb het goed begrepen, ik heb, het goed verstaan en begrepen: we trekken terug tot onze uitgangsstelling.' Hij heeft helemaal herhaald wat ik gezegd had.

Na de oorlog heb, ik die luitenant gesproken en hij herinnerde er zich geen woord meer van. Als er inderdaad een onderzoek zou zijn gekomen, zou ik ongetwijfeld in een moeilijke positie, zijn geraakt.

Na heel wat uren ben ik opgehaald door een sergeant van mij, die voor die dienst ook al het Bronzen Kruis heeft gekregen. Hij had het zo georganiseerd dat er een boot beschikbaar was om me naar de verbandplaats te brengen. Ik ben in het Leidse ziekenhuis gekomen en dat deed weldadig aan. Ik had een wit plafond boven me! Ik bleek op de operatietafel te liggen met nogal wat verpleegsters om me heen. Ik was bijzonder smerig gearriveerd; ik zat onder het kroos! Maar mijn arm behoefde niet geamputeerd te worden.

Ik kwam op een grote zaal terecht naast een luitenant, die nog secretaris is geweest van de BNMO. Mijn arm zat in een rekverband en aan een grote paal vast. Omdat er al zoveel hulpmiddelen in gebruik waren, hadden ze die paal niet aan mijn bed vastgemaakt, maar aan het bed ernaast. Veel pijn had ik niet. En koorts was er de eerste dagen ook niet bij. In de zaal was het een gekerm en geschreeuw van jewelste. Toen werd er op een gegeven moment een jongetje binnengedragen, wiens voetje vrijwel verbrijzeld was. Dat knulletje was in Valkenburg gewond geraakt door mitrailleurschoten. Zijn moeder was er heel erg aan toe; die lag zwaar gewond op de vrouwenafdeling en zou spoedig sterven. Het jongetje mocht nog even zijn moeder groeten. Dat waren vermoedelijk de slachtoffers van mijn beschieting. Van die huizen met de blikkerende raampjes.

Rest mij te vermelden dat wij met Duitsers samen hebben gelegen. Maar ik commandeerde 'stilte' (voor het eten) en 'dank u wel' (erna). Ik was immers Hauptmann! Dat contact met die Duitsers was heel gemoedelijk. We beschouwden die oorlog maar op een sportieve manier: zij hadden gewonnen en wij hadden verloren. En daarmee basta. Oorlog? Om de Nederlandse bijdrage zo helemaal volgens bet boekje, maar dan een boekje dat niets met krijgskunde te maken had, moet ik lachen. En huilen tegelijk. Want ik denk nog vaak aan die verbrijzelde en verscheurde colonne, aan die uitstalling van de resten van die verdelgde compagnie en dat vuur op de huizen, waarvan de raampjes zo vriendelijk blikkerden in de zon.

De eerste dagen kregen wij ook geestelijke bijstand. Hoeveel dominees ik aan mijn bed heb gehad is niet meer te zeggen. Toen de vierde, het kan ook de vijfde zijn geweest, arriveerde en vroeg: 'En hoe is het met jou?' derhalve begon te jij-en en te jou-en, beet ik hem toe: Ik ben kapitein.' 'Waar hebt u gevaren?'
vroeg hij toen. 'Wel potverdomme,' zei ik, 'waar zijn dan de schepen hier?' Nadat ik hem had uitgelegd dat ik kapitein in het leger, was, begon het de eerwaarde een beetje te dagen. Later heeft hij dat pittige interview met mij, gekuist, in een kerkblaadje gezet.

Ja, mijn vrouw heeft me goed opgevangen. Ze heeft niet geholpen met allerlei dingen: ze liet me heel terecht wat aanmodderen met die gewonde arm. Zo kwamen we er snel achter wat er nog voor mogelijkheden waren. Legio. Ik kon al gauw met mijn linkerhand schrijven, in het ziekenhuis al. Ik had alleen moeite met de 'f' en de 'g': de krullen kwamen net andersom. te staan; voor de rest echter ging het uitstekend. Nee, ik heb mijn handicap niet als onoverkomelijk gevoeld. Ik ben er heel zeker van dat een vrouw een belangrijke rol speelt bij het overwinnen van de problemen in geval van een handicap.

De vrijgezel moet het hebben van een verpleegster of van een huishoudelijke hulp, of van een kameraad. Dat is niet de ideale situatie. Vaak verkeert hij dan al niet in zijn eigen omgeving. Hij heeft het veel moeilijker. Hij moet het ook allemaal zelf verwerken, kan zijn nood niet kwijt en kan zich niet gemakkelijk uiten. De steun die een goed begrijpende vrouw kan geven is onbetaalbaar. De mijne heeft me geleerd niet te klagen over wat je verloren hebt, maar blij te zijn met wat je hebt behouden. Nog maar een heel enkele keer vraag ik me af of dat rare, chaotische en infantiele oorlogje van ons in de meidagen van 1940 wel zoveel leed waard is geweest.